Centrale Raad van Beroep, 02-09-2015 / 14/1867 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:3197

Inhoudsindicatie
Herziening studiefinanciering van de norm voor de uitwonende studerende naar de norm voor de thuiswonende studerende. Niet woonachtig op gba-adres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-02
Publicatiedatum
2015-09-24
Zaaknummer
14/1867 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1867 WSF

Datum uitspraak: 2 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 februari 2014, 13/1620 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verstraten. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F. Hummel.

OVERWEGINGEN


1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 22 oktober 2011 aan appellante voor het jaar 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Bij besluit van 20 oktober 2012 heeft de minister deze toekenning voor de periode januari 2013 tot en met augustus 2013 voortgezet. Appellante staat vanaf 6 juni 2008 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) ingeschreven op het adres [adres 1]

[adres 1] . Op dit adres staan ook ingeschreven appellantes broer [naam broer] , zijn echtgenote en hun twee kinderen. De ouders van appellante staan in de gba ingeschreven op het adres [adres 2] . De afstand tussen de beide adressen is ongeveer 2 kilometer.


1.2.

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft de minister appellante vanaf 1 januari 2012 alsnog als thuiswonend aangemerkt, de vanaf januari 2012 toegekende studiefinanciering herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende en een bedrag van € 2.286,48, dat als gevolg van de herziening over het jaar 2012 te veel aan appellante is betaald, teruggevorderd.


1.3.

Bij besluit van 23 april 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 januari 2013 ongegrond verklaard. Aan de herziening heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit een verrichte controle is gebleken dat appellante niet woont op het adres waaronder zij in de gba staat ingeschreven. De controle heeft bestaan uit een door twee controleurs in opdracht van de minister afgelegd huisbezoek op 11 december 2012 op het gba-adres van appellante. Van dit huisbezoek is op 12 december 2012 een rapport opgemaakt en daarbij zijn door appellante en de hoofdbewoner (hierna: broer) op

11 december 2012 ondertekende verklaringen gevoegd. In de rapportage en de verklaringen is kort samengevat het volgende beschreven. De deur werd geopend door de broer. De broer verklaarde dat alleen hij en zijn vrouw een vaste kamer hebben. Op de kamer van appellante slaapt zijn zoon of dochter als appellante er niet is. Appellante slaapt zeker vier keer per week op het gba-adres en slaapt af en toe bij haar ouders. Appellante woont bij hem omdat zij problemen met haar vader heeft en zij betaalt geen huur. Tijdens het gesprek met de broer kwam appellante binnen. Zij heeft verklaard dat zij sinds twee tot drie weken weinig spullen op het gba-adres heeft liggen omdat zij spullen naar het adres van haar moeder heeft gebracht. Haar moeder is ziek en daarom is zij overdag vaak bij haar moeder. Zij kookt voor haar moeder en geeft haar moeder meermalen per dag een injectie met insuline. In de als kamer van appellante getoonde kamer werden de volgende spullen aangetroffen. Een eenpersoonsbed en een kledingkast met jongenskleding, welke volgens appellante van haar neefje is. Verder een inbouwkast met daarin twee jassen en twee truien, een plastic tas met ondergoed en sokken, een sporttas met kleding en een toilettas met verzorgingsartikelen. Deze spullen zouden aan appellante toebehoren. Voorts een bureau met een computer. Appellante verklaarde dat zij gebruik maakt van deze computer, maar dat zij daarop geen bestanden van haar kan tonen. De kinderen maken ook gebruik van de computer en daarom bewaart zij haar documenten op een USB-stick. Appellante verklaarde verder dat haar recente studiespullen bij haar moeder liggen en dat zij op het gba-adres alleen oude studieboeken heeft. Zij kon deze evenwel niet tonen op haar kamer en ook niet op zolder, waar volgens appellante haar nieuwe kamer zou komen. Appellante kon geen post of administratie tonen. Zij verklaarde dat zij haar post bewaart op het ouderlijk adres omdat de kinderen alles kwijtmaken. Ook gebruikt ze dat adres nog deels als postadres. Verder gaf appellante aan dat in de gangkast beneden één paar schoenen van haar ligt. Op de vraag van de controleurs of zij een sleutel heeft haalde zij deze van de kapstok in de gang. Voorts heeft appellante verklaard dat zij in haar auto een laptop heeft. Appellante heeft verklaard dat zij, naast de getoonde kleding, één paar schoenen en verzorgingsspullen geen spullen heeft liggen op het gba-adres.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op de bevindingen van het huisbezoek, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante ten tijde van dat huisbezoek niet woonde op het gba-adres. Van iemand die al sinds 6 juni 2008 stelt op dat adres te wonen kan worden verwacht dat er meer persoonlijke spullen aanwezig zijn dan de aangetroffen spullen. Het moge zo zijn dat appellante ten tijde van de controle al twee tot drie weken voor haar moeder zorgde, maar niet valt in te zien dat appellante zoveel spullen daarheen heeft meegenomen dat haar gestelde kamer geen permanent bewoonbare indruk maakte. Dit klemt te meer gelet op de geringe afstand tussen het adres van appellante en dat van haar moeder. Verder heeft appellante geen poststukken of recente studieboeken kunnen tonen. Dat dit alles bij de moeder van appellante zou liggen vanwege de kinderen, acht de rechtbank geen afdoende verklaring. Bovendien zijn er op het gba-adres te weinig slaapkamers om iedereen een eigen kamer te gunnen en heeft de broer verklaard dat appellante vier nachten in de week op het gba-adres slaapt. De door appellante overgelegde handtekeningen van buren, vrienden en familie, die daarmee verklaren dat appellante wel woont op het gba-adres, doen niet af aan de bevindingen als neergelegd in het rapport van

12 december 2012. De rechtbank twijfelt er niet aan dat appellante regelmatig wordt aangetroffen op het gba-adres, bij haar broer en diens gezin, maar uit de bevindingen van de controleurs blijkt niet dat zij daar permanent woont. Ook de ter zitting getoonde foto’s van de zolderkamer laten niet zien dat daar een studente zou wonen, los van het feit dat deze foto’s zijn gemaakt na de verrichte controle. De minister hoefde gezien de van toepassing zijnde wetgeving niet te onderzoeken of appellante bij haar ouders woonde. Appellante heeft geen overtuigend en objectief verifieerbaar bewijs overgelegd waaruit blijkt dat zij wel woonde op het gba-adres.


3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante is met de bevindingen van het huisbezoek niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van belang niet woonde op het gba-adres en had de minister aanvullend onderzoek moeten verrichten naar haar feitelijke woonsituatie. Appellante stelt in dit verband dat zij steeds een valide verklaring heeft gegeven voor het feit dat bij de controle minder persoonlijke spullen werden aangetroffen dan dat redelijkerwijs zou mogen worden verwacht van iemand die sinds 6 juni 2008 op dat adres staat ingeschreven. Gelet op het feit dat zij op het gba-adres op zolder een nieuwe, van de minderjarige kinderen afgezonderde, kamer zou krijgen had zij ten tijde van de controle het merendeel van haar spullen in dozen opgeborgen en (al dan niet tijdelijk elders) opgeslagen. Voorts had zij enkele recente studiespullen bij haar moeder liggen omdat zij tijdelijk, wegens de verzorging van haar moeder, na school regelmatig bij haar moeder verbleef. Appellante is in 2008 bij haar broer gaan wonen omdat haar vader haar heeft verstoten. Zij verzorgde haar moeder op de momenten dat haar vader er niet was.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.


4.1.2.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gba staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gba staat of staan ingeschreven.


4.1.3.

De vraag waar een studerende woont als bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000 moet worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.1.4.

Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.


4.1.5.

Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de gba.


4.2.

Een herziening als hier aan de orde is een belastend besluit zodat de minister aannemelijk moet maken dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichtingen die in artikel 1.5 van de Wsf 2000 zijn gesteld. Aan die bewijslast heeft de minister voldaan. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en op hoofdlijnen de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, dat de bevindingen van het onderzoek op het gba-adres van appellante voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van de minister dat appellante ten tijde van belang niet woonde op haar gba-adres. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.


4.3.

Uit de bevindingen van het huisbezoek blijkt dat op het gba-adres behoudens wat kleding, verzorgingsartikelen en één paar schoenen geen persoonlijke zaken van appellante zijn aangetroffen, terwijl appellante al sinds 6 juni 2008 op dat adres staat ingeschreven. Appellante heeft daarvoor tegenover de controleurs als verklaring gegeven dat zij sinds twee tot drie weken persoonlijke eigendommen naar haar moeder heeft gebracht omdat zij wegens de tijdelijke verzorging van haar moeder regelmatig overdag op het ouderlijk adres aanwezig is. De Raad is van oordeel dat dit de afwezigheid van recent studiemateriaal op het gba-adres kan verklaren, maar niet kan worden gezien als een toereikende verklaring voor de afwezigheid van andere tot appellante herleidbare zaken. Bovendien heeft appellante in hoger beroep gesteld dat zij haar moeder alleen verzorgde op momenten dat haar vader er niet was, omdat haar vader haar in 2008 heeft verstoten. Niet geloofwaardig is dat appellante haar persoonlijke zaken zou verplaatsen naar het adres waarvan zij door haar vader verstoten is.


4.4.

Voor het eerst in bezwaar heeft appellante een additionele verklaring gegeven voor de afwezigheid van persoonlijke zaken op het gba-adres ten tijde van de controle. Zij zou haar spullen in dozen hebben opgeborgen en opgeslagen in afwachting van de verbouwing van de voor haar bestemde zolderkamer op het gba-adres. Deze verklaring overtuigt evenmin. Op de eerste plaats wordt aan de geloofwaardigheid van deze verklaring afbreuk gedaan doordat appellante deze verklaring niet meteen tegenover de controleurs heeft afgelegd. Bovendien heeft appellante meermalen een andere weergave van de feiten gegeven, wat de geloofwaardigheid van haar verhaal ondermijnt. Zo is ter zitting bij de rechtbank verklaard dat de dozen met persoonlijke zaken bij de ouders waren opgeslagen, terwijl appellante ter zitting bij de Raad heeft verklaard dat het merendeel van haar persoonlijke zaken zich bij haar zus bevond omdat zij in die periode veel bij haar zus verbleef. Voorts heeft appellante op de zitting in hoger beroep verklaard dat zij haar post bewaarde bij haar zus vanwege de verbouwing, terwijl zij tegenover de controleurs heeft verklaard dat zij haar post bewaarde op het ouderlijk adres omdat de kinderen van haar broer alles kwijtmaken. Ten slotte wordt van betekenis geacht dat de broer van appellante niet tegenover de controleurs verklaard heeft dat appellante in de toekomst naar de zolderkamer zou verhuizen.


4.5.

In het voorgaande ligt besloten dat de minister in de bevindingen van het huisbezoek, en in wat appellante in bezwaar heeft gesteld, geen aanleiding hoefde te zien voor het instellen van nader onderzoek naar de feitelijke woonsituatie van appellante.


4.6.

Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.






















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en H.C.P. Venema en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2015.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) G.J. van Gendt




UM