Centrale Raad van Beroep, 10-02-2015 / 13-5686 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:320

Inhoudsindicatie
Opschorting, intrekking en terugvordering bijstand. Afwijzing nieuwe bijstandsaanvraag omdat appellanten onvoldoende gegevens hebben verstrekt met betrekking tot de wijze waarop zij vanaf 1 oktober 2011 in hun levensonderhoud hebben voorzien en met betrekking tot de door hen verrichte op geld waardeerbare arbeid. Niet overleggen van alle gevraagde gegevens. Inkomen uit arbeid. Ondernemersactiviteiten. Hennepplantages. Geldtransacties.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-10
Publicatiedatum
2015-02-11
Zaaknummer
13-5686 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5686 WWB, 13/5687 WWB, 14/1343 WWB

Datum uitspraak: 3 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 10 september 2013, 12/1284 en 12/1285 (aangevallen uitspraak 1), en van 24 januari 2014, 13/1990 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats 1] (appellant) en [Appellante] te [woonplaats 2] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft in de zaken 13/5686 WWB en 13/5687 WWB een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn gevoegd met de zaken 14/1367 WWB en 14/1708 WWB ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 9 december 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 27 april 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.


1.2.

Naar aanleiding van de melding van appellante op 9 juni 2011 dat zij al een tijdje als gastouder werkt via [naam werkgever] ([werkgever]) heeft het college de uitbetaling van de bijstand aan appellanten per 1 oktober 2011 geblokkeerd. De gemeentelijke sociale dienst Hengelo, sector bijzonder onderzoek (dienst) heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand en appellanten bij brief van 14 november 2011 uitgenodigd voor een gesprek op 23 november 2011. In de uitnodiging zijn appellanten verzocht gegevens mee te nemen, waaronder bankafschriften over de periode van 1 november 2010 tot en met 14 november 2011, waarop de inkomsten als gastouder worden bijgeschreven. Naar aanleiding van de tijdens dit gesprek verstrekte gegevens heeft de dienst appellanten bij brief van 15 december 2011 verzocht voor 23 december 2011, bij brief van

22 december 2011 verlengd tot 28 december 2011, nader genoemde gegevens aan te leveren, waaronder bankafschriften over de periode vanaf 27 april 2010 van de bank- en of girorekening van appellant eindigend op 765. Daarbij zijn appellanten erop gewezen dat het recht op bijstand wordt opgeschort als zij de gevraagde gegevens niet aanleveren. Bij brief van 3 januari 2012 heeft de dienst appellanten nogmaals in de gelegenheid gesteld voor 11 januari 2012 de gevraagde gegevens volledig aan te leveren.


1.3.

Bij besluit van 25 januari 2012 heeft het college het recht op bijstand met ingang van

11 januari 2012 opgeschort op de grond dat appellanten de in de brieven van 15 december 2011, 22 december 2011 en 3 januari 2012 gevraagde informatie, waaronder bankafschriften van de bankrekening van appellant eindigend op 765, niet volledig hebben aangeleverd. Daarbij zijn appellanten in de gelegenheid gesteld voor 1 februari 2012 de nog ontbrekende informatie over te leggen en zijn zij erop gewezen dat, wanneer zij de gevraagde informatie niet aanleveren, de bijstand met ingang van 11 januari 2012 wordt ingetrokken. Appellanten hebben op 1 februari 2012 een aantal, maar niet alle, van de gevraagde gegevens overgelegd. Bij besluit van 8 februari 2012 heeft het college vervolgens de bijstand van appellanten met ingang van 11 januari 2012 ingetrokken. Daarbij heeft het college toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 54, vierde lid, van de WWB.


1.4.

Op 10 februari 2012 hebben appellanten zich gemeld voor het doen van een nieuwe aanvraag om bijstand. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college appellanten bij brief van 14 maart 2012 verzocht om voor 23 maart 2012 nader genoemde gegevens te verstrekken. Bij besluit van 3 april 2012 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellanten onvoldoende gegevens hebben verstrekt met betrekking tot de wijze waarop zij vanaf 1 oktober 2011 in hun levensonderhoud hebben voorzien en met betrekking tot de door hen verrichte op geld waardeerbare arbeid. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.


1.5.

De sociale recherche van de afdeling Handhaving en bijzondere regelingen van de gemeente [woonplaats 2] (sociale recherche) heeft vervolgens het onderzoek voortgezet met betrekking tot de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand over de periode van 27 april 2010 tot 11 januari 2012. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer de bankgegevens van appellante geanalyseerd, diverse registers, waaronder die van de Kamer van Koophandel, geraadpleegd en politiegegevens opgevraagd. Uit de bankgegevens van appellante is onder meer naar voren gekomen dat op 28 juni 2010 een bedrag van € 15.000,- is bijgeschreven, dat in de periode van april 2010 tot en met oktober 2011 voor in totaal € 651,31 is gepind bij supermarkten, dat in de periode van 25 november 2010 tot en met 29 oktober 2011 slechts één pinbetaling bij een supermarkt heeft plaatsgevonden, dat in de periode van juni 2010 tot en met oktober 2011 gemiddeld € 354,22 per maand wordt afgelost aan schulden, waar per november 2010 de beslaglegging op de uitkering bij komt van € 130,44 per maand, en dat (grote) bedragen worden overgeschreven naar de bankrekeningen van de kinderen. Uit de geraadpleegde registers is onder meer naar voren gekomen dat appellant per 18 december 2008 het bedrijf[naam bedrijf B] is begonnen op het adres [adres A] te [plaatsnaam] en dat het bedrijf op 16 maart 2010 met terugwerkende kracht tot 1 november 2009 is uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Per 15 december 2010 stond appellante ingeschreven bij de Kamer van Koophandel ten behoeve van “het treffen van vestigings- cq overnamehandelingen t.b.v. een [adres B] onder de naam [naam bedrijf C]/[woonplaats 2]”. Op 28 februari 2012 heeft appellante zich met terugwerkende kracht per 1 januari 2012 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Uit de politiegegevens is onder meer naar voren gekomen dat op 2 november 2009 op het adres van[naam bedrijf B] te [plaatsnaam] en op 11 januari 2012 op het adres [adres C] te [woonplaats 2] in bedrijf zijnde hennepplantages zijn ontmanteld. De panden waarin de hennepplantages werden aangetroffen, werden allebei gehuurd door appellant. Voorts heeft de sociale recherche appellanten op 27 en 28 maart 2012 verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 augustus 2012.


1.6.

De in het rapport van 29 augustus 2012 vermelde onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 11 oktober 2012 de bijstand over de periode van 27 april 2010 tot en met (lees: tot) 11 januari 2012 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.125,18 van appellanten terug te vorderen. De besluitvorming berust op de schending van de inlichtingenverplichting door appellanten waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Appellanten hebben geen melding gemaakt van de bijschrijving van € 15.000,- op de bankrekening van appellante. Evenmin hebben zij (tijdig) gemeld dat appellante in de periode van 1 november 2010 tot en met 31 mei 2011 werkzaamheden voor [werkgever] heeft verricht, dat appellante per 15 december 2010 stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat appellant in de periode van

1 januari 2011 tot en met 11 januari 2012 werkzaamheden verrichtte in de textiel dan wel werkzaamheden gericht op het opzetten en in bedrijf houden van een hennepkwekerij op het adres [adres C] te [woonplaats 2]. Voorts hadden appellanten vanaf 27 april 2010 melding moeten maken van alle bank- en spaarrekeningen van henzelf en hun inwonende kinderen, wat zij hebben nagelaten. Ook hebben appellanten niet aan de hand van een deugdelijk overzicht of een deugdelijke boekhouding aangetoond wanneer, hoe en hoeveel middelen zij voor hun levensonderhoud hebben ontvangen en van wie en waar zij deze middelen hebben ontvangen en wat de gemaakte afspraken daarover waren. Ten slotte hebben appellanten geen melding gemaakt van de ondernemersactiviteiten en de omvang daarvan en het aanschaffen van auto’s en de betaling daarvan.


1.7.

Bij besluit van 6 november 2012 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 25 januari 2012, 8 februari 2012 en 3 april 2012 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat het in 1.2 genoemde rechtmatigheidsonderzoek, dat heeft uitgewezen dat appellanten naast hun uitkering over een andere middelenbron moeten hebben kunnen beschikken, ertoe noodzaakte om nadere gegevens van appellanten te verlangen. Appellanten hebben de gevraagde gegevens ook na de opschorting niet overgelegd, zodat voldaan is aan de voorwaarden om de bijstand in te trekken. Aan de afwijzing van de aanvraag om bijstand heeft het college ten grondslag gelegd dat het onderzoek verder heeft uitgewezen dat appellanten ten tijde van de bijstand in staat zijn geweest een hennepkwekerij op te zetten, en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, zoals hij heeft verklaard, gedurende de periode van bijstand geld heeft geleend van derden.


1.8.

Bij besluit van 9 juli 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2012 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat zij niet hebben aangetoond dat zij bij nakoming van deze verplichting recht op (aanvullende) bijstand zouden hebben gehad. Uit onderzoek is in voldoende mate aannemelijk geworden dat zij naast hun uitkering over andere middelen hebben moeten kunnen beschikken.


2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover het ziet op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2012, het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde van bestreden besluit 1. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat appellanten geen procesbelang meer hadden bij het bezwaar tegen het opschortingsbesluit.


2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen aanvallen uitspraak 1, voor zover het de intrekking en de afwijzing van de aanvraag betreft, en tegen aangevallen uitspraak 2.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Bestreden besluit 1: intrekking


4.1.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of de intrekking van de bijstand met ingang van

11 januari 2012 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.


4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.


4.3.

Het college heeft appellanten bij besluit van 25 januari 2012 onder meer gevraagd over de periode vanaf 27 april 2010 bankafschriften over te leggen van de bankrekening op naam van appellant eindigend op 765. Niet in geschil is dat bankafschriften gegevens zijn die van belang zijn voor de verlening van de bijstand. Verder staat vast dat appellanten de bankafschriften van deze bankrekening niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben aangeleverd, hoewel het college appellanten er in het besluit van 25 januari 2012 uitdrukkelijk op heeft gewezen dat dit verzuim zal kunnen leiden tot intrekking van de bijstand. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij niet binnen de gestelde hersteltermijn over die bankafschriften hebben kunnen beschikken. Zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft appellant met de brief van de ING van 15 juni 2011 niet onderbouwd dat de bank geen afschriften wil verstrekken. Die brief heeft betrekking op een vordering van de ING in verband met vergeefse verzoeken van de bank aan appellant om de achterstand op zijn rekening aan te zuiveren. De brief vermeldt niets over het niet willen verstrekken van afschriften om die reden. Dat appellanten, naar zij stellen, er alles aan hebben gedaan om de gevraagde stukken te leveren, is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat zij redelijkerwijs niet konden beschikken over de gevraagde gegevens.


4.4.

De overige gronden die appellanten hebben aangevoerd, hebben geen betrekking op het besluit van 8 februari 2012 en kunnen daarom buiten bespreking blijven.


4.5.

Reeds gelet op wat in 4.3 en 4.4 is overwogen, is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellanten met ingang van 11 januari 2012 in te trekken. Wat appellanten hebben aangevoerd levert geen grond op voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.


Bestreden besluit 1: afwijzing aanvraag


4.6.

De hier te beoordelen periode loopt van 10 februari 2012 tot en met 3 april 2012.


4.7.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.


4.8.

Het college heeft appellanten naar aanleiding van hun aanvraag onder meer gevraagd om verifieerbare informatie te verstrekken over hoe hun middelensituatie er voorafgaand aan de aanvraag heeft uitgezien. Daarvoor bestond aanleiding omdat uit nader onderzoek onder meer naar voren was gekomen dat op de bankafschriften van appellante vanaf 27 april 2010 opmerkelijke geldstromen en grote bijschrijvingen zichtbaar waren, alsmede een overschrijving van € 1.500,- ten behoeve van de kosten van een ondernemingsplan. Verder kwam uit dat onderzoek naar voren dat appellant vanaf 1 januari 2011 een pand in [woonplaats 2] huurde waarvoor hij € 475,- huur per maand betaalde. In dat pand had hij eerst een confectiebedrijf. Daarna was in het pand een hennepkwekerij gevestigd die op 11 januari 2012 is ontmanteld. Tijdens de verhoren op 27 en 28 maart 2012 heeft appellant verklaard dat hij de afgelopen twee jaren circa € 20.000,- heeft geleend, onder andere voor het betalen van de huur van het pand in [woonplaats 2] en voor het opzetten van de hennepkwekerij. Van wie hij dat geld precies had geleend, wilde hij niet zeggen.


4.9.

Met betrekking tot de wijze waarop appellanten voorafgaand aan de aanvraag vanaf 1 oktober 2011, de datum waarop de uitbetaling van de bijstand is stopgezet, in hun levensonderhoud hebben voorzien, hebben appellanten een aantal handgeschreven verklaringen overgelegd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze verklaringen onvoldoende inzicht bieden in de wijze waarop appellanten in de periode voorafgaand aan hun aanvraag in hun bestaan hebben voorzien. Deze verklaringen zijn afkomstig van familie en kennissen, zijn achteraf opgesteld, beslaan slechts een deel van de periode waarover het college om informatie heeft gevraagd en zijn niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Dat klemt temeer omdat op 11 januari 2012 in het door appellante gehuurde pand in [woonplaats 2] een hennepplantage is ontmanteld. Appellanten hebben geen sluitende verklaringen afgelegd over de door appellant in dat pand ontplooide bedrijfsmatige activiteiten en over de omvang en de herkomst van de gelden die hij zou hebben geleend en die hij onder andere heeft aangewend voor de huur van het pand in [woonplaats 2] en het opzetten van de hennepkwekerij in dat pand.


4.10.

Uit 4.9 volgt dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen op de grond dat appellanten onvoldoende inzicht hebben verschaft in de wijze waarop zij in de periode voor de aanvraag in hun levensonderhoud hebben voorzien.


Bestreden besluit 2: intrekking en terugvordering


4.11.

De hier te beoordelen periode loopt van 27 april 2010 tot 11 januari 2012.


4.12.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.13.

Vaststaat dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door aan het college door geen melding te maken van onder meer de bijschrijving van € 15.000,- op de bankrekening van appellante, van de werkzaamheden van appellante als gastouder, van de door hen beiden ontplooide ondernemersactiviteiten, voor de hennepkwekerij en van alle bank- en spaarrekeningen van hen en hun inwonende kinderen.


4.14.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellanten zijn daarin niet zijn geslaagd. Daartoe wordt het volgende overwogen.


4.15.

Appellanten bestrijden niet dat zij, in verband met de werkzaamheden van appellante als gastouder in dienst van [werkgever], in de periode van 1 november 2010 tot en met 31 maart 2011 ten onrechte (aanvullende) bijstand hebben ontvangen. Zij betwisten dat zij uit de overige door hen ontplooide ondernemersactiviteiten inkomsten hebben genoten. Het college had de terugvordering daarom dienen te beperken tot de periode van 1 november 2010 tot en met 31 maart 2011.


4.16.

Met het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellanten gedurende de gehele te beoordelen periode naast de bijstand over middelen hebben moeten kunnen beschikken waarmee zij in hun levensonderhoud konden voorzien. De rechtbank heeft er in dit verband terecht op gewezen dat uit de bankafschriften van appellante blijkt dat zij in de periode in geding zeer weinig heeft gepind en dat het aantal pintransacties in die periode minder was dan in de periode daarvoor, toen appellant in detentie zat. Appellanten hebben beiden daarover verklaard dat zij boodschappen, kleding en benzine contant betaalden. De rechtbank heeft voorts terecht gewezen op de bijschrijving van 28 juni 2010 van € 15.000,- op de bankrekening van appellante. Anders dan appellanten betogen, is hun enkele stelling dat dit bedrag door een neef van appellant op de bankrekening van appellante is bijgeschreven voor het opstarten van het textielbedrijf, niet voldoende om aan te nemen dat sprake is van een schuld die moet worden terugbetaald. Appellanten hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij naast dit bedrag per 10 februari 2011 ook hebben kunnen beschikken over een contant geldbedrag ter hoogte van € 14.000,-. Naar aanleiding van de vraag wat de reden was dat in de periode 10 februari 2011 tot en met

28 juni 2011 € 4.525,80 naar de bankrekening van zijn zoon werd overgemaakt, heeft appellant op 27 maart 2012 immers zelf verklaard dat hij € 14.000,- in contanten had geleend, maar dat hij niet wilde zeggen van wie. Over de bijschrijving van € 15.000,- heeft appellant vervolgens verklaard dat dit geld afkomstig is van een lening uit Zwitserland, waar zijn neef tandarts is. Hij had nog niets terugbetaald en had daarover ook niets afgesproken met zijn neef. Gelet op deze verklaringen heeft de rechtbank terecht ongeloofwaardig geacht dat beide bedragen de geldlening van de neef betroffen. Op grond van voormelde feiten en omstandigheden heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat appellanten in de te beoordelen periode beschikten over contant geld van onduidelijke herkomst.


4.17.

De rechtbank heeft voorts op goede gronden geoordeeld dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij uit de vanaf 15 december 2010 ontplooide activiteiten als zelfstandige geen inkomsten hebben genoten. De stelling dat de inschrijving van appellante bij de Kamer van Koophandel niet de conclusie rechtvaardigt dat er dan sprake zou zijn van inkomsten, slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN6344), moet uit een inschrijving bij de Kamer van Koophandel worden afgeleid dat de betrokkene het oogmerk heeft zich als zelfstandige te vestigen en daarmee inkomsten te verwerven. Het enkele feit dat uit de BTW-aangiften met betrekking tot de betreffende ondernemersactiviteiten van appellante blijkt dat het gaat om zogenoemde 0-aangiften (geen omzet/geen inkoop), is onvoldoende om aan te nemen dat geen sprake is geweest van inkomsten. Dat appellant met zijn werkzaamheden in de textiel inkomsten heeft genoten, blijkt al uit het feit dat hij op 27 maart 2012 zelf heeft verklaard dat hij wat proefopdrachten heeft gedaan waarvoor hij vergoedingen heeft ontvangen. Een deugdelijke administratie die inzicht geeft in de omvang van de werkzaamheden en/of de hoogte van de inkomsten ontbreekt. De gevolgen daarvan moeten voor rekening van appellanten blijven. Ten aanzien van de door appellant geëxploiteerde hennepkwekerij staat verder vast dat de politie op 11 januari 2012 700 hennepplanten heeft aangetroffen in het door appellant vanaf 1 januari 2011 gehuurde bedrijfspand. Tevens is gelet op de aangetroffen restanten en bijzonderheden door de politie het vermoeden uitgesproken dat er minimaal één kweek, maar vermoedelijk meerdere oogsten zijn geweest. Appellant heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat hij in september of oktober 2011 is gestart met de hennepkwekerij, maar geen oogsten heeft gehad. Hij heeft geen verklaring willen afleggen over de door hem gedane investeringen ten behoeve van de hennepkwekerij. Een deugdelijke administratie van de door appellant geëxploiteerde hennepkwekerij ontbreekt eveneens. Appellant heeft echter onmiskenbaar activiteiten verricht waarmee een opbrengst kan worden gerealiseerd die een waarde vertegenwoordigt in het economisch verkeer. Door geen boekhouding of administratie bij te houden heeft appellant een bewijsrisico genomen. De enkele stelling dat hij geen inkomsten heeft gehad is in de gegeven omstandigheden dan ook ontoereikend. Voor de onderbouwing van hun stelling dat uit de hennepteelt geen inkomsten zijn gegenereerd, hebben appellanten verder gewezen op de ontnemingsbeslissing van de politierechter van 4 april 2013, waarbij de ontnemingsvordering is afgewezen op grond van de overweging dat niet is komen vast te staan dat de kwekerij een eerdere oogst heeft opgeleverd De omstandigheid dat de strafrechter tot dit oordeel is gekomen, doet immers volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5715) aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in de strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt. Dit geldt eveneens voor een uitspraak van de strafrechter in een ontnemingszaak (uitspraak van de Raad van 17 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX2748).


4.18.

Gelet op wat in 4.11 tot en met 4.17 is overwogen, was het college bevoegd om de bijstand over de te beoordelen periode in te trekken en de kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen. Appellanten hebben geen zelfstandige beroepgronden aangevoerd tegen de wijze waarop het college van deze bevoegdheden gebruik heeft gemaakt.


Conclusie


4.19.

Uit 4.1 tot en met 4.18 vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken dienen daarom te worden bevestigd, aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.C.R. Schut en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) C. Moustaïne



HD