Centrale Raad van Beroep, 11-09-2015 / 14/2720 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:3209

Inhoudsindicatie
Weigering Wajong(AAW)-uitkering. De beoordeling door het Uwv die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, is niet in overeenstemming met de bepalingen van de AAW. Het Uwv heeft desgevraagd een nieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht naar appellantes situatie op 17/18-jarige leeftijd. De verzekeringsarts heeft op goede gronden geconcludeerd dat appellante op 17/18-jarige leeftijd normaal belastbaar is. De arbeidsdeskundige heeft gemotiveerd aannemelijk gemaakt dat de aan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functies, te weten eenvoudige productiefuncties of soortgelijke functies, ook rond de 17/18-jarige leeftijd van appellante op de arbeidsmarkt voorkwamen. Niet gebleken is dat deze functies de belastbaarheid van appellante destijds overschreden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-11
Publicatiedatum
2015-09-28
Zaaknummer
14/2720 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2720 WWAJ



Datum uitspraak: 11 september 2015



Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 april 2014, 13/59 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Partijen hebben nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Bouwman, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante, geboren op [geboortedatum] 1970, heeft op 21 februari 2012 een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts in opleiding van het Uwv geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante op 17/18-jarige leeftijd niet kan worden ingeschat, omdat er geen objectieve medische gegevens zijn van rond die periode. Het Uwv heeft vervolgens de aanvraag van appellante bij besluit van 3 mei 2012 afgewezen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


1.2.

In bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv geconcludeerd dat appellante op en na 16 weken na de aanvraag fysieke beperkingen voor het verrichten arbeid heeft. Eerst indien dat leidt tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van meer dan 25 zal worden vastgesteld wat de beperkingen zijn op de 17/18-jarige leeftijd. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv met inachtneming van de voor appellante vastgestelde beperkingen voorbeeldfuncties geselecteerd en geconcludeerd dat appellante in staat is meer dan 75% van het maatmanloon te realiseren. Er kan niet gesproken worden van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet Wajong. Bij besluit van 23 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 mei 2012 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat zij, gezien haar - reeds op haar 17e jaar bestaande - hartconditie, als jonggehandicapte in de zin van de Wet Wajong dient te worden aangemerkt. Zij is niet, dan wel nauwelijks belastbaar voor werk. Ook op en na de datum van de aanvraag is appellante arbeidsongeschikt als gevolg van de hartklachten. Verder betwist appellante de juistheid van het gehanteerde criterium ter bepaling van de arbeidsongeschiktheid op de datum aanvraag in het kader van de Wet Wajong.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv - na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek - geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op

17/18-jarige leeftijd 0% is.


3.3.

Naar aanleiding van het door het Uwv in hoger beroep verrichte verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft appellante - kort samengevat - aangevoerd dat haar beperkingen op 17/18-jarige leeftijd zijn onderschat. Er is aanleiding een urenbeperking aan te nemen. De geselecteerde functies zijn niet geschikt voor appellante. Voorts moet het Uwv aannemelijk maken dat de geselecteerde functies destijds in de woonomgeving van appellante voorhanden waren. Uitgaande van een fulltime functie werd toentertijd bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid het relevante maandloon gehanteerd en niet het uurloon zoals het Uwv heeft gedaan. Verder moesten er in 1987 en 1988 drie functies die minimaal 30 arbeidsplaatsen representeerden geduid worden. De geduide functies verschillen erg van de functies die destijds op de arbeidsmarkt aanwezig waren.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Zoals is uiteengezet in de uitspraak van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111, dient, omdat appellante is geboren in 1970, hoewel zij haar aanvraag na 1 januari 2010 heeft ingediend, de beoordeling van haar aanspraken plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).


4.1.2.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen.


4.1.3.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.


4.2.

Vastgesteld wordt dat de beoordeling door het Uwv die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit niet in overeenstemming is met de bepalingen van de AAW. Het Uwv heeft de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige situatie van appellante beoordeeld op

12 juni 2012, welke datum voortvloeit uit artikel 2:15, tweede lid, van de Wet Wajong, en niet haar situatie op 17-jarige leeftijd en na afloop van de geldende wachttijd. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een onjuiste grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. In hoger beroep heeft het Uwv desgevraagd een nieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht naar appellantes situatie op 17/18-jarige leeftijd.


4.3.

Zoals eerder in andere zaken is overwogen kan een dergelijke beoordeling problematisch zijn bij een vaststelling van arbeidsongeschiktheid die ziet op een al lang verstreken datum of periode. Hierbij wordt verwezen naar vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 15 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1400), waaruit volgt dat de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen, voor risico moet blijven van degene die (alsnog) een aanvraag indient. Een zodanige situatie is in dit geval aan de orde, nu appellante eerst ruim 20 jaar na haar 17e levensjaar een aanvraag om een Wajong-uitkering heeft ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 29 juni 2015, op basis van zich in het dossier bevindende stukken, vermeld dat appellante in januari 1987 een normaal inspanningsvermogen had en in september 1991 voldoende tot goed belastbaar was. In september 1988 schrijft de kindercardioloog dat, ook al is de inspanningstolerantie matig, appellante in principe geen beperkingen hoeft aan te houden. Op basis daarvan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat appellante op 17/18-jarige leeftijd normaal belastbaar is. Boven de normaalwaarden is appellante enigszins beperkt. In beroep en in hoger beroep heeft appellante geen medische of andere gegevens betrekking hebbend op de in geding zijnde periode overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat toen voor appellante meer of andere beperkingen golden. Derhalve moet worden uitgegaan van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst van 2 juli 2015.


4.4.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid is van belang dat bij een beoordeling die ziet op een al lang verstreken datum ook de functieduiding problematisch kan zijn (uitspraak van 22 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1872). Als dit het gevolg is van een zeer late aanvraag, dan kan het Uwv niet aangerekend worden dat de gebruikelijke zorgvuldigheid niet kan worden gehandhaafd bij de functieduiding en ligt het in de risicosfeer van de aanvrager dat exacte gegevens over functies in een ver verleden niet meer traceerbaar zijn. Een zodanige situatie is in dit geval gelet op het tijdstip van de aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet Wajong aan de orde. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 13 juli 2015 gemotiveerd aannemelijk gemaakt dat de aan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functies, te weten eenvoudige productiefuncties of soortgelijke functies, ook rond de 17/18-jarige leeftijd van appellante op de arbeidsmarkt voorkwamen. Derhalve kunnen de gronden die zien op de hoeveelheid geduide arbeidsplaatsen, de locatie van die arbeidsplaatsen en het verschil in functies die geduid zijn en destijds op de arbeidsmarkt aanwezig waren niet slagen. Niet gebleken is dat de geduide functies de destijds geldende belastbaarheid van appellante overschreden. Voorts heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het hanteren van het maandloon bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid zou leiden tot een zodanig ander percentage dan een berekening op basis van het uurloon, dat recht zou ontstaan op een Wajong-uitkering. Niet gebleken is dat deze functies de belastbaarheid van appellante destijds overschreden.


4.5.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellante slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, ook het bestreden besluit vernietigen. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.3 en 4.4 is er aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.


5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor kosten van rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 november 2012;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal €164,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en Ch. van Voorst en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) J.R. van Ravenstein




UM