Centrale Raad van Beroep, 22-09-2015 / 14/612 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3217

Inhoudsindicatie
Maatregel. De enkele stelling dat appellante en haar kinderen in de maand februari 2012 onder de armoedegrens hebben geleefd, is onvoldoende om de maatregel onrechtmatig te achten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-22
Publicatiedatum
2015-09-28
Zaaknummer
14/612 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/612 WWB

Datum uitspraak: 22 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

7 januari 2014, 12/4255 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Z.M. Alaca, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. N.M.H.A. van Hirtum.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontvangt sinds 7 februari 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.

Bij besluit van 10 oktober 2011 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellante met 10% verlaagd voor de duur van een maand op de grond dat zij onvoldoende heeft meegewerkt aan haar re-integratie.


1.3.

Bij besluit van 7 maart 2012 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand over de maand februari 2012 met 80% verlaagd op de grond dat appellante opnieuw in onvoldoende mate heeft meegewerkt aan haar re-integratie.

1.4.

Bij besluit van 14 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 maart 2012 gegrond verklaard. Daarbij heeft het college, in navolging van het advies van de commissie voor bezwaarschriften van 23 oktober 2012, bepaald dat de bijstand over de maanden februari en maart 2012 met 40% wordt verlaagd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante is gestart met een re-integratietraject en dat zij de in dat kader gemaakte afspraken niet is nagekomen. Ook niet in geschil is dat appellante daarmee onvoldoende heeft meegewerkt aan een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en dat uit de artikelen 7 en 11 van de van toepassing zijnde Afstemmingsverordening 2010 volgt dat in dat geval gedurende twee maanden een maatregel van 40% moet worden opgelegd.


4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij onevenredig is benadeeld. De opgelegde maatregel is disproportioneel, omdat zij en haar kinderen in de maand februari 2012 onder de armoedegrens hebben geleefd. Omdat hierdoor ook haar kinderen zijn getroffen, is sprake van een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat is alleen al het geval omdat appellante niet uiteenzet welke gevolgen de effectuering van de maatregel voor haar en haar kinderen heeft gehad. De enkele stelling dat appellante en haar kinderen in de

maand februari 2012 onder de armoedegrens hebben geleefd, is onvoldoende om de maatregel onrechtmatig te achten.


4.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) J.L. Meijer



HD