Centrale Raad van Beroep, 22-09-2015 / 14/3297 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3218

Inhoudsindicatie
Niet overleggen van bankgegevens. Het college was bevoegd om na opschorting de bijstand in te trekken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-22
Publicatiedatum
2015-09-28
Zaaknummer
14/3297 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3297 WWB

Datum uitspraak: 22 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

2 mei 2014, 14/260 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Gerritsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gerritsen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

S. ten Kate.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 25 maart 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 5%.


1.2.

Het college heeft op enig moment een anonieme tip ontvangen. Deze tip hield blijkens een Rapportage Vermoeden Fraude van 15 mei 2013 in dat appellant tot voor kort een budgetbeheerrekening bij de Stadsbank had, maar desondanks een nieuwe auto kon kopen en met zijn kind naar Disneyland Parijs kon gaan. Ook had de tipgever uit verschillende kringen begrepen dat appellant in drugs handelt.


1.3.

Bij brief van 11 juli 2013 heeft het college appellant verzocht om uiterlijk binnen drie weken na verzending van de brief bankafschriften vanaf 1 januari 2013 over te leggen van al zijn bankrekeningen. Voldoet appellant hieraan niet, dan zal zijn uitkering met ingang van

26 juli 2013 worden opgeschort.


1.4.

Bij besluit van 31 juli 2013 heeft het college de bijstand met ingang van 26 juli 2013 opgeschort, omdat appellant niet heeft gereageerd op het verzoek in de brief van 11 juli 2013 om bankafschriften in te leveren. Het college heeft appellant in de gelegenheid gesteld de gevraagde stukken alsnog binnen één week na 31 juli 2013 in te leveren.


1.5.

Bij besluit van 15 augustus 2013 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 2 augustus 2013 beëindigd (lees: ingetrokken), omdat appellant het in 1.4 genoemde verzuim niet tijdig heeft hersteld.


1.6.

Appellant heeft op 24 september 2013 een aanvraag om bijstand ingediend. Bij brief van 2 oktober 2013 heeft het college appellant verzocht om nadere gegevens, waaronder afschriften of een bewijs van opheffing van een bankrekeningnummer, eindigend

op … [nummer] ( [nummer] ). Het college heeft vervolgens op 8 oktober 2013 een brief van appellant ontvangen, waarin hij onder andere schrijft: "bank giroafschriften van reknr (…) [nummer] is niet meer aanwezig is een oud rekening nummer".


1.7.

Bij besluit van 16 oktober 2013 heeft het college de aanvraag van appellant niet in behandeling genomen omdat appellant onvoldoende gegevens heeft verstrekt om de aanvraag te kunnen beoordelen.

1.8.

Het college heeft de tegen de besluiten van 15 augustus 2013 en 16 oktober 2013 gerichte bezwaren bij besluit van 20 december 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Intrekking


4.1.

Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden. Of het college bevoegd was tot opschorting over te gaan, omdat appellant op 31 juli 2013 nog niet in verzuim was, behoeft daarom geen bespreking.


4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan appellant verleende bijstand, staat ter beoordeling of appellant heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of appellant hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover appellant niet binnen de hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.


4.3.

Appellant heeft niet binnen de in het opschortingsbesluit geboden hersteltermijn alsnog de gevraagde bankafschriften overgelegd. De stukken geven daar geen blijk van. Appellant kan een verwijt worden gemaakt van het feit dat hij de bankafschriften niet tijdig heeft overgelegd. Bankafschriften zijn gegevens die van belang zijn voor de verlening van bijstand en niet in geschil is dat appellant daarover binnen de hersteltermijn redelijkerwijs kon beschikken. Appellant voert aan dat het college niet tot zes maanden terug bankafschriften mocht opvragen en stelt dat in zoverre geen sprake is van voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens, maar dat kan hier in het midden blijven. Gelet op het verhandelde ter zitting is immers niet in geschil dat het college bankafschriften tot drie maanden terug kon opvragen en appellant heeft ook die afschriften niet binnen de hem geboden termijn overgelegd.


4.4.

Uit 4.3 volgt dat het college bevoegd was de bijstand van appellant in te trekken. Appellant wijst er terecht op dat dit een bevoegdheid betreft van het college en dat het college in het kader van de besluitvorming een belangenafweging moet maken. Appellant heeft echter geen feiten en omstandigheden aangevoerd, op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De enkele omstandigheid dat appellant na de intrekking geen bijstand meer ontvangt maar hij wel de zorg heeft voor zijn dochter, is daartoe onvoldoende.


Aanvraag


4.5.

Met betrekking tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag is allereerst van belang dat het college appellant bij brief van 2 oktober 2013 in de gelegenheid heeft gesteld om zijn aanvraag aan te vullen. Het college heeft daarbij onder andere gevraagd naar bankafschriften van bankrekeningnummer [nummer] en, indien niet actief, een bewijs van opheffing van die rekening. Dat zijn voor het recht op bijstand van belang zijnde gegevens. Anders dan appellant aanvoert, kon het college op grond van de beschikbare gegevens nog niet kenbaar zijn dat van een lopende rekening geen sprake meer was. De omstandigheid dat dit bankrekeningnummer bij een vermogenstoets aan de hand van gegevens van de Belastingdienst in 2012 niet is meegenomen, is daartoe onvoldoende. Omdat appellant niet binnen de daartoe gestelde termijn een bewijs van opheffing heeft overgelegd, had het college - anders dan appellant aanvoert - nog altijd onvoldoende informatie om de aanvraag te kunnen beoordelen. Onduidelijk was immers of de bankrekening nog actief was en zo ja, wat het saldo van de bankrekening was.


4.6.

Voor zover appellant aanvoert dat hij niet redelijkerwijs over het bewijs van opheffing kon beschikken omdat de bank daaraan geen medewerking wilde verlenen, geven de stukken daarvan geen blijk. Dat de rekening is opgeheven, had appellant duidelijk kunnen maken aan de hand van het laatste bankafschrift van de bankrekening. Bovendien ontbreken bewijsstukken waaruit blijkt dat appellant tijdig contact heeft opgenomen met zijn bank en dat de bank geen medewerking wilde verlenen aan het verstrekken van een bewijs van opheffing van de rekening. Het tegendeel lijkt te volgen uit het e-mailbericht van de bank van

5 december 2013, waarin de bank in reactie op een e-mailbericht van appellant antwoordt dat de rekening is opgeheven. Dat in de bezwaarfase alsnog een bewijs van opheffing is overgelegd, laat onverlet dat het college, gelet op wat in 4.5 en 4.6 is overwogen, bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen. In wat appellant naar voren heeft gebracht, is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de door appellant in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) J.L. Meijer



HD