Centrale Raad van Beroep, 28-01-2015 / 13-536 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:323

Inhoudsindicatie
Beeindiging WIA-uitkering per 23 juli 2011 (besluit van 23 mei 2011). Sinds 2009 geen sprake van toegenomen arbeidsongeschikt (besluit van 23 december 2011). De Raad onderschrijft oordeel van de rechtbank dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat. De beperkingen zijn door Uwv diverse malen aangescherpt naar aanleiding van medische informatie. Geen aanleiding om deskundige te raadplegen. De psychische klachten waren ten tijde in geding nog niet zo ernstig dat er gevolgen aan verbonden moesten worden voor de FML en de arbeidsongeschiktheidsschatting. IVA-uitkering toegekend met ingang van 1 april 2012.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-02-12
Zaaknummer
13-536 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/536 WIA, 13/538 WIA

Datum uitspraak: 28 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van

19 december 2012, 12/277, 12/465 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een besluit van het Uwv, gedateerd 2 januari 2014, ingezonden.

Desgevraagd heeft het Uwv nog enkele stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Peper. Namens het Uwv is verschenen mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 23 mei 2011 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 23 juli 2011 beëindigd.


1.2.

Bij besluit van 1 februari 2012 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 mei 2011 ongegrond verklaard.


1.3.

Naar aanleiding van de melding van appellant van 28 juni 2011 dat er sinds 2009 sprake is van toegenomen arbeidsongeschikt heeft het Uwv bij besluit van 23 december 2011 aan appellant bericht dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd minder dan 35% bedraagt.


1.4.

Bij besluit van 12 april 2012 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 december 2011 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. Er is eigen onderzoek verricht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, er is kennis genomen van de standpunten van de behandelende artsen en twee rapporten van

20 oktober 2010 en 4 november 2011 van de neurochirurg P.H.J.M. Elsenburg, werkzaam bij het Neuro-Orthopedisch Centrum, zijn bij de beoordeling betrokken. Naar aanleiding van het rapport van 20 oktober 2010 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 december 2009 aangescherpt, en verwerkt in een FML van 15 februari 2011. Naar aanleiding van het rapport van 4 november 2011 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML nogmaals aangescherpt, vooral ten aanzien van het hand- en vingergebruik. Daartoe is een op 10 januari 2012 gedateerde FML opgesteld. Voor wat betreft bestreden besluit 2 heeft het Uwv inzichtelijk gemotiveerd dat de FML van 15 februari 2011 ook van toepassing is in 2009. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 4 april 2012 per 28 juni 2009, zijnde twee jaar voor de melding van de toegenomen arbeidsongeschiktheid, functies kunnen selecteren, en heeft zij voldoende onderbouwd dat appellant in staat was die functies te verrichten. Dit leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De primaire arbeidsdeskundige komt in haar rapport van 25 oktober 2011 tot dezelfde conclusie ten aanzien van de datum

28 juni 2011, zijnde de datum van de melding van appellant dat hij toegenomen arbeidsongeschikt is. Ten aanzien van bestreden besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat op grond van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

12 januari 2012 de nog meer aangescherpte FML van 10 januari 2012 van toepassing is. Uitgaande van die FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van

31 januari 2012 voldoende gemotiveerd te kennen gegeven dat er per 23 juli 2011 voldoende functies kunnen worden geselecteerd, welke appellant kan verrichten, en die leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.


3. In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat, vooral voor wat betreft het gebruik van de hand en vingers. Appellant verzoekt de Raad op dat punt een expertise te gelasten. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de psychische klachten van appellant.


4.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.


4.2.

De Raad onderschrijft volledig het oordeel van de rechtbank en de uitgebreide overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. De beperkingen van appellant zijn door het Uwv niet onderschat. Diverse malen heeft het Uwv naar aanleiding van medische informatie van derden de beperkingen aangescherpt, vooral ook ten aanzien van het hand- en vingergebruik. Voor nog verdergaande beperkingen is - ook in wat in hoger beroep is aangevoerd - geen aanleiding. Er is ook geen reden het verzoek van appellant om alsnog een deskundige te raadplegen te honoreren. Ten aanzien van de psychische klachten overweegt de Raad dat uit de gedingsstukken blijkt van toenemende psychische klachten in het najaar van 2011. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven dat niet gebleken is dat deze klachten op de hier in geding zijnde data al zo ernstig van aard waren dat daaraan gevolgen moeten worden verbonden voor de FML en de arbeidsongeschiktheidsschatting. De Raad markeert in dit verband dat het Uwv bij besluit van 2 januari 2014 aan appellant met ingang van 1 april 2012 op grond van de Wet WIA een IVA-uitkering heeft toegekend, vooral ook vanwege de toegenomen psychische beperkingen.


5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.


6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) V. van Rij




QH