Centrale Raad van Beroep, 18-09-2015 / 15/221 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3245

Inhoudsindicatie
Hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-18
Publicatiedatum
2016-06-21
Zaaknummer
15/221 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • SZR-Updates.nl 2016-0669
Uitspraak

Datum uitspraak: 18 september 2015

15/221 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 november 2014, 14/94 (aangevallen uitspraak)







Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


PROCESVERLOOP


N. Firsova heeft als gemachtigde van appellant hoger beroep ingesteld.



OVERWEGINGEN


Ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.


De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.

Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.


De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 27 november 2014 in afschrift aan partijen toegezonden.


Het beroepschrift is op 9 januari 2015 ontvangen aan de balie.


Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.


Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.


Bij brief van 23 februari 2015 is aan de gemachtigde van appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.


De gemachtigde van appellant heeft daarop bij brief van 6 maart 2015 geantwoord dat in de begeleidende brief bij de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant staat dat zij binnen zes weken na de datum van verzending van deze brief in hoger beroep kan gaan. De volgende dag van 27 november 2014 is vrijdag 28 november 2014. Zes weken is vanaf vrijdag 28 november 2014 tot en met vrijdag 9 januari 2015. Op 9 januari 2015 was de laatste dag van zes weken. Zij heeft haar brief op 9 januari 2015 aan de balie ingeleverd.


Wat appellant heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.


In dat verband wordt overwogen dat de wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt (42 dagen). Ingevolge artikel 6:8 van de Awb gaat de termijn in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak is bekendgemaakt, in dit geval dus met ingang van (vrijdag) 28 november 2014. Dat betekent dat de termijn eindigt (afloopt) op (donderdag) 8 januari 2015. Op dat moment zijn immers 42 dagen verstreken. Het beroepschrift is niet voor het eind van deze termijn ontvangen. Indien het betoog van de gemachtigde van appellant zou worden gevolgd, zou de termijn 43 dagen, en daarmee meer dan zes weken bedragen.


Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.


Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van C. Tersteeg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) C. Tersteeg




Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.



GdJ