Centrale Raad van Beroep, 08-09-2015 / 15/1858 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3249

Inhoudsindicatie
Bezit onroerend goed in het buitenland. Onderzoeksbevoegdheid. Geen sprake van discriminatie. Appellant is eigenaar van zowel woning 2 als de grond waarop deze woning is gebouwd. Appellant heeft de Svb hiervan geen melding gemaakt. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting was het recht op een AIO-aanvulling over de periode van 21 december 2009 tot 9 juli 2013 niet vast te stellen, omdat een waardebepaling van de woning en de grond over die periode ontbreekt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, als hij de inlichtingenverplichting niet had geschonden, wel recht op een AIO-aanvulling zou hebben gehad. Omdat de waarde van het onroerend goed op 9 juli 2013 is getaxeerd op € 57.420,- en appellant deze waarde niet gemotiveerd heeft betwist, is het recht daarop vanaf 9 juli 2013 vast te stellen op nihil. Vanaf die datum wordt immers de grens van het voor appellant geldende vrij te laten vermogen overschreden. De Svb was gelet op het voorgaande bevoegd om de AIO-aanvulling met ingang van 21 december 2009 in te trekken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-08
Publicatiedatum
2015-09-28
Zaaknummer
15/1858 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2015/214
  • USZ 2015/352 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman en H. van Rooij
Uitspraak

15/1858 WWB, 15/1859 WWB

Datum uitspraak: 8 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

12 februari 2015, 14/3186, 14/5338 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Moghni en E.M. Loukili als tolk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 21 december 2009 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. In aanvulling daarop ontving appellant bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk van de Svb in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).


1.2.

Naar aanleiding van een signaal van de attaché voor sociale zaken in Marokko (attaché), is de Svb een algemeen onderzoek gestart naar eventueel vermogen van personen die een AIO-aanvulling en kinderbijslag ontvangen voor een kind/kinderen woonachtig in het buitenland. In dat kader heeft een bestandsvergelijking plaatsgevonden tussen

AOW-gerechtigden met een AIO-aanvulling die in aanmerking komen voor kinderbijslag ten behoeve van in het buitenland wonende kinderen. Uit deze vergelijking is ook appellant naar voren gekomen. Vervolgens heeft in opdracht van de Svb het Bureau voor Sociale zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat (Bureau voor Sociale Zaken) een vermogensonderzoek in Marokko uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek, neergelegd in een rapportage van

7 augustus 2013, is dat appellant eigenaar is van twee woningen op de adressen [woning 1], Guercif (woning 1) en [woning 2], Guercif

(woning 2). Volgens taxatierapporten van 9 juli 2013 is de waarde van woning 1, grond en bebouwing, € 39.600,- en van woning 2 € 57.420,-.


1.3.

Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft de Svb bij besluiten van 18 september 2013 (besluiten 1), voor zover hier van belang, de AIO-aanvulling per 21 december 2009 ingetrokken en de over de periode van december 2009 tot en met augustus 2013 ten onrechte betaalde AIO-aanvulling tot een bedrag van € 18.313,62 van appellant teruggevorderd.


1.4.

Bij besluit van 23 april 2014 (bestreden besluit 1) heeft de Svb, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen de besluiten 1 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 9 juli 2013 de beschikking heeft over een vermogen boven het voor hem geldende vrij te laten vermogen en dat over de periode van 21 december 2009 tot 9 juli 2013 het recht op een AIO-aanvulling niet is vast te stellen. De Svb heeft bij zijn besluitvorming tevens de nadere onderzoeksgegevens van 10 februari 2014 van de attaché betrokken.


1.5.

Bij besluit van 25 februari 2014 (besluit 2) heeft de Svb de aanvraag van appellant van

18 december 2013 voor een AIO-aanvulling afgewezen op de grond dat appellant vermoedelijk over vermogen beschikt boven het voor hem geldende vrij te laten vermogen.


1.6.

Bij besluit van 1 juli 2014 (bestreden besluit 2) heeft de Svb het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Ook bij deze besluitvorming heeft de Svb de onder 1.4 genoemde nadere onderzoeksgegevens betrokken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank samengevat en voor zover hier van belang overwogen dat het door de Svb uitgevoerde onderzoek geen strijd oplevert met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. De rechtbank volgt daarom niet het standpunt van appellant dat de onderzoeksresultaten niet aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd hadden mogen worden. De rechtbank heeft voorts overwogen, voor zover hier van belang, dat gelet op de getaxeerde waarde van woning 2 deze resultaten voldoende feitelijke grondslag bieden voor de bestreden besluiten.


3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek geen strijd oplevert met het internationale discriminatieverbod. Het onderzoek heeft zich slechts gericht op AIO-gerechtigden, die kinderbijslag ontvangen ten behoeve van kinderen woonachtig in Marokko. Hiermee wordt ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt naar afkomst of etniciteit. Voorts is sprake van een onzorgvuldig onderzoek omdat bij het onderzoek gebruik is gemaakt van een anonieme verklaring van een moquaddem en is sprake van een ondeugdelijke taxatie van de onroerende zaken in geding.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De attaché heeft naar aanleiding van steekproefonderzoeken geconstateerd dat een aantal AOW/AIO-gerechtigden heeft opgegeven in Nederland te wonen, maar in feite een groot deel van het jaar bij vrouw en kinderen in Marokko verblijft. Bij deze groep wordt een verhoogd risico van vermogen in de vorm van onroerend goed in het woonland van de kinderen verwacht. De melding hiervan aan de Svb heeft geleid tot een algemeen onderzoek. In het kader van dat onderzoek heeft een bestandsvergelijking plaatsgevonden van

AOW-gerechtigden met een AIO-aanvulling die in aanmerking komen voor kinderbijslag ten behoeve van in het buitenland wonende kinderen. Uit deze vergelijking kwamen

85 AIO-gerechtigden naar voren. Bij negentien AIO-gerechtigden hadden de kinderen als woonland België (1), Brazilië (2), Curaçao (1), Egypte (1), Filippijnen (1), Frankrijk (1), Indonesië (1), Kaapverdische Eilanden (2), Polen (1), Suriname (3), Tunesië (2) en Turkije (3). Bij 66 AIO-gerechtigden woonden de kinderen in Marokko. Het onderzoek van de Svb heeft zich vervolgens op de groep AIO-gerechtigden gericht met kinderen woonachtig in Marokko. Appellant behoorde tot deze groep.


4.2.

Ingevolge art. 53a van de WWB in samenhang met art. 47a, tweede lid, van de WWB is de Svb bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden, zonder dat daartoe een redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is. Daarbij mag echter niet in strijd gehandeld worden met het discriminatieverbod zoals onder meer opgenomen in artikel 14 EVRM en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. Zie de uitspraken van de Raad van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1228, 1229, 1230 en 1231.


4.3.

Artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:

1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.


4.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4180), is volgens constante rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een verschil in behandeling voor de toepassing van artikel 14 van het EVRM en daarmee voor de toepassing van de onder 4.3 geciteerde bepaling discriminerend als het niet objectief gerechtvaardigd is, dat wil zeggen als met het onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. De verdragsstaten beschikken over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling of en in welke mate verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen. De omvang van deze beoordelingsmarge is primair afhankelijk van de aard van het gemaakte onderscheid. Het onderscheid naar woonplaats is, zo volgt uit genoemde uitspraak van de Raad, geen “verdacht” onderscheid, zodat ten aanzien van een dergelijk onderscheid de verdragsstaat een ruime “margin of appreciation” toekomt. Dit geldt temeer in dit geval waar het gaat om een maatregel op het terrein van de sociale zekerheid.


4.5.

Allereerst wordt geoordeeld dat een algemeen onderzoek naar eventueel vermogen in het buitenland een legitiem doel dient. Zoals de Raad in zijn onder 4.2 genoemde uitspraken heeft uiteengezet is een bijstandverlenend orgaan in beginsel bevoegd om met het oog op effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing, en vanwege het grote belang van bestrijding van onjuist gebruik van sociale voorzieningen, bij het toepassen van de onder 4.2 genoemde algemene onderzoeksbevoegdheid risicoprofielen toe te passen tenzij bij de vaststelling hiervan een ongerechtvaardigd verschil in behandeling als bedoeld in artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM wordt gemaakt tussen AIO-gerechtigden.


4.6.

Uit de gedingstukken blijkt dat het door de Svb gehanteerde risicoprofiel was gericht op alle AIO-gerechtigden die tevens recht hebben op kinderbijslag ten behoeve van in het buitenland wonende kinderen, ongeacht in welk land buiten Nederland deze kinderen hun woonplaats hebben. Daarmee wordt geen onderscheid gemaakt naar nationaliteit, maar naar de woonplaats van het kind van de AIO-gerechtigden. De vraag die moet worden beantwoord is of voor dat onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Uit 4.4 volgt dat de Svb daarbij een ruime beoordelingsvrijheid toekomt.


4.7.

In Nederland worden vermogen, onroerende vermogensbestanddelen en andere (semi-)registergoederen, inkomen, liquide transacties en bankrekeningen (middelen) van ingezetenen door verschillende (semi-)overheidsorganisaties in verscheidene registraties opgenomen. Daarbij valt te denken aan de gegevens van de Belastingdienst, het Kadaster, het handelsregister, Suwinet, het register Meldingen ongebruikelijke transacties, de kentekenregistratie van de Dienst wegverkeer, en verder. Door vergaande, onder meer digitale, wettelijke gegevensuitwisselingen onder meer met tussenkomst van het Inlichtingenbureau kunnen bijstandverlenende organen tegen geringe kosten en zonder dat betrokkenen dat merken of daarvoor toestemming hoeven te verlenen, een zeer uitgebreid onderzoek doen naar en gegevens verkrijgen over inkomen en vermogen, dat de bijstandsgerechtigde verwerft of eerder verworven heeft, om aldus de juistheid van de opgave van de betrokkene daarover te controleren. Voorts zijn vele andere derden, zoals werkgevers, verhuurders en nutsbedrijven gehouden informatie over bijstandsgerechtigden te verschaffen. De wettelijke grondslag hiervoor is gelegen in de artikelen 63 en 64 van de WWB. De bijstandverlenende organen beschikken niet over vergelijkbare uitgebreide mogelijkheden om juiste opgaven van bijstandsgerechtigden over het al dan niet hebben van middelen buiten Nederland te controleren. Onderzoeken in het buitenland naar deze middelen zijn soms nagenoeg onmogelijk of zeer bewerkelijk, omdat met Nederland vergelijkbare registraties niet bestaan, of omdat autoriteiten aldaar geen inzage geven in gegevens. Dit betekent dat bijstandverlenende organen ter plekke zelf onderzoeken moeten (laten) uitvoeren. Onderzoeken in het buitenland zijn hierdoor en door reis- en vertaalkosten kostbaar. Gelet hierop en op wat overwogen is onder 4.5, is het voor het bijstandverlenend orgaan nog meer zaak om bij de inzet van de algemene onderzoeksbevoegdheid in het buitenland zo gericht mogelijk te werk te gaan en daarop een risicoprofiel af te stemmen. Die afstemming dient daarom ook te mogen geschieden ten aanzien van de vraag in welk land onderzoek zal plaatsvinden. Van het bijstandverlenend orgaan kan immers, gelet op de kosten, niet worden verlangd dat het ten aanzien van al zijn bijstandsgerechtigden onderzoek doet in alle landen ter wereld. Dit speelt te meer in een geval als het onderhavige, waarin uit de bestandsvergelijking die op basis van het risicoprofiel is gemaakt, volgt dat 66 van de 85 in 4.1 bedoelde kinderen uit één land - Marokko - afkomstig zijn, terwijl het in de overige gevallen slechts om één of enkele kinderen per land gaat. Uit oogpunt van efficiëntie en kostenbesparing heeft de Svb het onderzoek daarom beperkt tot Marokko. In Marokko is bovendien een Bureau voor Sociale Zaken gevestigd en is de juiste infrastructuur voor een gedegen onderzoek voorhanden.


4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat het door de Svb gemaakte onderscheid objectief gerechtvaardigd en proportioneel is. Van discriminatie is daarom geen sprake. Het beroep van appellant dat op die grond de Svb de onderzoeksbevindingen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen, faalt dan ook.


Intrekking en terugvordering


4.9.

De te beoordelen periode loopt van 21 december 2009 tot en met 18 september 2013.


4.10.

Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, daaronder begrepen de AIO-aanvulling, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand bestond.


4.11.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor het standpunt van de Svb dat woning 2 en de grond waarop die woning staat eigendom van appellant zijn. Uit de door het Bureau voor Sociale Zaken aangeleverde onderzoeksgegevens van 7 augustus 2012, 10 februari 2014 en 2 juni 2015 blijkt dat het stuk grond waarop woning 2 staat, in het kadaster staat geregistreerd op naam van appellant. Dat ook de daarop staande woning zijn eigendom is, valt af te leiden uit verklaringen van de lokale moquaddem van 9 mei 2013 en 23 januari 2014. Deze moquaddem heeft verklaard dat hij appellant kent, dat deze in Nederland woont en dat hij sinds ruim vijf jaar onder meer woning 2 bezit. Deze verklaring wordt ondersteund door de bevindingen van een op 29 mei 2015 afgelegd bezoek aan woning 2 door twee medewerkers van het Bureau voor Sociale Zaken. Daarbij heeft de bewoonster van deze woning, de tweede partner van appellant, verklaard dat zij met hun dochter in die woning woont. Een bij de woning aangetroffen neef van betrokkene heeft de verklaring van de tweede partner van appellant bevestigd en tevens verklaard dat appellant de eigenaar van de woning is. Gelet op deze, met die van de moquaddem overeenstemmende, verklaringen, wordt in dit geval geen aanleiding gezien de verklaringen van de moquaddem buiten beschouwing te laten enkel omdat zijn naam niet in de rapportages van het Bureau voor Sociale Zaken bekend is gemaakt.


4.12.

Appellant heeft de in 4.11 genoemde onderzoeksbevindingen noch het taxatierapport van 9 juli 2013, waarbij onder meer de waarde van woning 2 is vastgesteld, voldoende weerlegd.


4.13.

Gelet op wat in 4.9 tot en met 4.12 is overwogen, is aannemelijk geworden dat appellant eigenaar is van zowel woning 2 als de grond waarop deze woning is gebouwd. Appellant heeft de Svb hiervan geen melding gemaakt. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting was het recht op een AIO-aanvulling over de periode van

21 december 2009 tot 9 juli 2013 niet vast te stellen, omdat een waardebepaling van de woning en de grond over die periode ontbreekt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, als hij de inlichtingenverplichting niet had geschonden, wel recht op een AIO-aanvulling zou hebben gehad. Omdat de waarde van het onroerend goed op 9 juli 2013 is getaxeerd op

€ 57.420,- en appellant deze waarde niet gemotiveerd heeft betwist, is het recht daarop vanaf 9 juli 2013 vast te stellen op nihil. Vanaf die datum wordt immers de grens van het voor appellant geldende vrij te laten vermogen overschreden. De Svb was gelet op het voorgaande bevoegd om de AIO-aanvulling met ingang van 21 december 2009 in te trekken.


Nieuwe aanvraag


4.14.

Uit 4.13 volgt dat appellant in de periode van 9 juli 2013 tot en met 18 september 2013 de beschikking had over vermogen boven het voor hem geldende vrij te laten vermogen. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geconcludeerd dat appellant niet heeft aangetoond dat hij in de in het kader van de nieuwe aanvraag te beoordelen periode van 18 december 2013 tot en met 25 februari 2014 niet langer beschikte over vermogen boven het voor hem geldende vrij te laten vermogen, zodat het college terecht de aanvraag van appellant heeft afgewezen. Appellant heeft tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak geen zelfstandige gronden aangevoerd zodat de afwijzing van de nieuwe aanvraag geen bespreking behoeft.


Slotoverwegingen


5. Uit 4.1 tot en met 4.13 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.1.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, als voorzitter en W.H. Bel en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) C. Moustaine




HD