Centrale Raad van Beroep, 22-09-2015 / 14/3536 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3250

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-22
Publicatiedatum
2015-09-30
Zaaknummer
14/3536 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3536 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 mei 2014, 13/7570 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2015. Namens appellant is verschenen mr. Van Hoof. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 27 juni 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 29 juli 2013 buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet had gereageerd op het verzoek nader geduide gegevens over te leggen. Het bezwaar daartegen heeft het college bij besluit van 25 september 2013 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen beroep ingesteld.


1.2.

Op 5 augustus 2013 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. Bij besluit van

12 september 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 november 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt en dat als gevolg van de onduidelijkheid omtrent zijn financiële situatie het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uitsluitend nog in geding is de besteding van een bedrag van

€ 11.000,-. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij dit bedrag heeft besteed aan de inrichting van zijn woning, de alimentatie die hij aan zijn ex-vrouw heeft moeten betalen en de aflossing van een schuld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de betrokkene recht op bijstand heeft.


4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de maanden maart-april 2013 een bedrag van € 11.000,- in contanten heeft opgenomen. In geschil is of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij dit bedrag in contanten heeft besteed aan de inrichting van zijn woning, het betalen van alimentatie aan zijn ex-vrouw en de afbetaling van een schuld. Dit is van belang voor het antwoord op de vraag of appellant heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting zodat het recht op bijstand met name wat betreft de vermogensvaststelling op de datum van de aanvraag wel kan worden vastgesteld.


4.3.

Uit hetgeen appellant heeft gesteld met betrekking tot kosten van de inrichting van zijn woning, de betaling van de alimentatie en het afbetalen van een schuld, volgt niet dat dit bij elkaar een bedrag van in totaal € 11.000,- betreft. Appellant heeft de besteding van dit bedrag ook op geen enkele manier inzichtelijk gemaakt. De gestelde uitgaven zijn allemaal contant verricht. Kwitanties ontbreken terwijl de enige door appellant overgelegde aankoopnota betrekking heeft op een besteding voorafgaande aan de geldopnamen. De gestelde besteding van dit bedrag is daarom niet te verifiëren. Nu het om een groot bedrag gaat waarbij sprake is van vage stellingen over de besteding waarvoor een onderbouwing ontbreekt, is appellant in zoverre zijn inlichtingenverplichting niet nagekomen. Het recht op bijstand is om die reden dan ook niet vast te stellen. Op die grond heeft het college de aanvraag mogen afwijzen.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2015.





(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) C.M. Fleuren




HD