Centrale Raad van Beroep, 09-09-2015 / 14/2506 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:3267

Inhoudsindicatie
Verantwoordingsplicht pgb. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat het vrij besteedbare bedrag en de aan het CAK betaalde eigen bijdrage niet hoeven te worden verantwoord, niet betekent dat het college niet bevoegd is het besluit waarbij het pgb is toegekend geheel in te trekken, indien er, zoals in dit geval, in het geheel geen verantwoording is afgelegd over de besteding van het pgb.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-09
Publicatiedatum
2015-09-30
Zaaknummer
14/2506 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2506 WMO

Datum uitspraak: 9 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

4 april 2014, 13/5218 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Verzandvoort.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Het college heeft appellante bij besluit van 17 maart 2011 hulp bij het huishouden ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning verstrekt voor maximaal acht uur per vier weken voor de periode van 17 maart 2011 tot 17 maart 2016 in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). In dit besluit zijn de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden omschreven en is te kennen gegeven dat appellante het pgb dient te verantwoorden, met uitzondering van de eigen bijdrage die moet worden betaald aan het CAK en een vrij besteedbaar bedrag van 10% van het pgb.


1.2.

Op 8 juni 2012 heeft appellante het controleformulier over de besteding van het ontvangen pgb over het jaar 2011 overgelegd. Hierbij heeft appellante te kennen gegeven dat ze gebruik heeft gemaakt van verschillende hulpkrachten en dat ze deze contant heeft uitbetaald.


1.3.

Bij brief van 27 augustus 2012 heeft het college appellante verzocht om alsnog de ingevulde en ondertekende verklaringen van appellante en de huishoudelijke hulpen of de betaalbewijzen van de betaalde huishoudelijke hulpen in te dienen. Appellante heeft op deze brief niet gereageerd.


1.4.

Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft het college het besluit van 22 december 2009 (lees: 17 maart 2011) ingetrokken en het in 2011 betaalde pgb van € 1.247,14 teruggevorderd. Het college heeft dit besluit genomen, omdat appellante niet heeft voldaan aan haar verantwoordingsplicht.


1.5.

Bij besluit van 29 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 oktober 2012 ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante, ondanks het verzoek om bewijsstukken, niet heeft voldaan aan de verplichting om het pgb te verantwoorden. Het college heeft verder overwogen dat het belang van de gemeente om over te gaan tot terugvordering van het in het geheel niet verantwoorde pgb, zwaarder weegt dan het belang van appellante.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het college bevoegd was het pgb in te trekken en terug te vorderen, op de grond dat appellante niet heeft voldaan aan de voorwaarde om het pgb te verantwoorden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat, op grond van de toepasselijke regelgeving en op grond van aan haar gedane toezeggingen, de eigen bijdrage en 10% van het pgb niet verantwoord hoeven te worden, zodat ten onrechte het volledige pgb over 2011 wordt ingetrokken en teruggevorderd. Daarnaast is appellante van mening dat de noodzaak voor hulp bij het huishouden evident is, waardoor het pgb ook op die grond niet ingetrokken en teruggevorderd mocht worden. Ten slotte dienen de belangen van appellante, gezien haar omstandigheden, zwaarder te wegen dan de belangen van het college bij een terugvordering van het pgb.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 21 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4358) dienen de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben. Dit betekent dat artikel 6, zevende lid, van het Besluit individuele verstrekkingen Wmo gemeente ’s-Hertogenbosch 2011 (Besluit) bepalend is voor de vraag of appellante aan haar verantwoordingsplicht heeft voldaan.


4.2.

Ingevolge artikel 6, zevende lid, van het Besluit controleert de gemeente steekproefsgewijs het gebruik van het pgb per kalenderjaar. De budgethouder verschaft bij de verantwoording inzicht of met het pgb particuliere hulp dan wel hulp van een zorgaanbieder is ingekocht en of een overeenkomst met de zorgverlener is afgesloten. Verder toont hij aan hoe het budget is gebruikt. Uit dit artikel volgt verder dat de budgethouder geen verantwoording hoeft af te leggen over een vrij besteedbaar bedrag van 10% van het jaarbudget pgb (met een minimum van € 250,- en een maximum van € 1.000,-) en over de betaalde eigen bijdrage.


4.3.

De Raad is van oordeel dat de stelling van appellante dat de noodzaak voor huishoudelijke hulp evident is en dat deze ook heeft plaatsgevonden, haar niet ontslaat van de verplichting om het pgb te verantwoorden. Met het niet naleven van deze verplichting is gelet op artikel 46 van de Gewijzigde Verordening individuele verstrekkingen Wmo gemeente

’s-Hertogenbosch 2012 (Verordening) de bevoegdheid van het college om het besluit van

17 maart 2011 in te trekken gegeven.


4.4.

Voor zover appellante met haar stelling bedoelt dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid, overweegt de Raad dat appellante haar stelling dat zorg is verleend en betaald niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook de ziekte van appellante brengt niet mee dat de belangen van appellante zwaarder dienen te wegen dan de belangen van het college bij de intrekking van het pgb.


4.5.

Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat het vrij besteedbare bedrag en de aan het Centraal Administratie Kantoor (CAK) betaalde eigen bijdrage niet hoeven te worden verantwoord, niet betekent dat het college niet bevoegd is het besluit waarbij het pgb is toegekend geheel in te trekken, indien er, zoals in dit geval, in het geheel geen verantwoording is afgelegd over de besteding van het pgb. De door appellante voorgestane uitzondering op de bevoegdheid van het college om het pgb in te trekken wordt in artikel 46 van de Verordening niet gemaakt. Ook anderszins bestaat er geen aanleiding het standpunt van appellante te volgen. Het vrij besteedbare bedrag van 10% van het pgb is, zoals ter zitting nader is toegelicht, bedoeld voor kleine, administratieve of ondefinieerbare kosten die samenhangen met de ingekochte zorg. Nu appellante in het geheel geen verantwoording heeft afgelegd over de besteding van het pgb, kan aangenomen worden dat appellante deze kleine, administratieve en ondefinieerbare kosten niet heeft gemaakt. Wat betreft de eigen bijdrage is van belang dat appellante het college kan verzoeken de betaalde eigen bijdrage terug te betalen, voor zover de terugbetaling nog niet heeft plaatsgevonden.


4.6.

Uit 4.5 volgt reeds dat de stelling van appellante dat het college heeft toegezegd dat zij geen verantwoording hoeft af te leggen over het vrij besteedbare bedrag voor deze zaak niet relevant is, zodat bespreking daarvan achterwege kan blijven.


4.7.

Het college was hiermee gelet op artikel 47 van de Verordening bevoegd om het betaalde pgb over 2011 terug te vorderen. Dat appellante een laag inkomen heeft, leidt er niet toe dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft mogen maken.


4.8.

Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en L.M. Tobé en S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) P. Uijtdewillegen




UM