Centrale Raad van Beroep, 16-09-2015 / 13/3681 ZVW


ECLI:NL:CRVB:2015:3269

Inhoudsindicatie
Het Zorginstituut heeft het Zvw-deel en het AWBZ-deel van de buitenlandbijdrage berekend met inachtneming van de hiervoor genoemde maxima van € 32.369 en € 32.127. Voor de berekening van de buitenlandbijdrage is aldus niet van belang of wordt uitgegaan van een jaarinkomen van € 134.983 of een jaarinkomen van € 142.325. Het behoort tot de bevoegdheid van deze inspecteur om te bepalen wat de hoogte van het belastbaar loon van betrokkene over 2009 is. Het hoger beroep van het Zorginstituut slaagt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-16
Publicatiedatum
2015-09-30
Zaaknummer
13/3681 ZVW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3681 ZVW

Datum uitspraak: 16 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

5 juni 2013, 12/4630 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (Frankrijk) (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Het Zorginstituut heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft in een reactie verklaard af te zien van het indienen van een verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2015. Betrokkene is niet verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Betrokkene woont in Frankrijk en ontvangt pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en pensioen van Stichting Pensioenfonds Alliance. Ingevolge de op 1 januari 2006 in werking getreden Zorgverzekeringswet (Zvw) is hij als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 recht op zorg in het woonland ten laste van Nederland. Voor de kosten van die zorg is hem op grond van artikel 69 van de Zvw een bijdrage (de buitenlandbijdrage) in rekening gebracht.

1.3.

Het Zorginstituut heeft betrokkene op 8 juni 2012 de definitieve jaarafrekening over 2009 toegezonden. Daarbij is de buitenlandbijdrage over 2009 op € 3.601,23 vastgesteld. Na verrekening van inhoudingen en rente resulteerde dit in een teruggaaf van € 592,65. Het Zorginstituut heeft de bijdrage berekend over een jaarinkomen van € 142.325 dat als authentiek gegeven in de basisregistratie inkomen als bedoeld in Hoofdstuk IVA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen AWR (tekst 2009) is opgenomen.

1.4.

De inspecteur van de Belastingdienst/Limburg/Kantoor Buitenland heeft op 31 januari 2012 het Niet in Nederland belastbaar inkomen 2009 vastgesteld op € 134.983. Betrokkene heeft een kopie-bezwaarschrift overgelegd, gericht aan dit kantoor van de Belastingdienst.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 6 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen het besluit van 8 juni 2012 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat het Zorginstituut in het bestreden besluit ten onrechte is uitgegaan van het Nederlands jaarinkomen over 2009 van € 142.325. Het Zorginstituut had zich moeten baseren op de door de Belastingdienst op 31 januari 2012 ten aanzien van 2009 afgegeven NiNbi-beschikking, waarin het jaarinkomen is vastgesteld op € 134.983. Betrokkene wordt in overweging gegeven om zich tot het Zorginstituut te wenden, zodra hij een beslissing op bezwaar van de Belastingdienst heeft ontvangen en dit heeft geleid tot herziening van de NiNbi-beschikking. Het Zorginstituut wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

3. Het Zorginstituut heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft het Zorginstituut zich - voor zover van belang - op het standpunt gesteld dat voor de heffing van het Zvw-deel en het AWBZ-deel van de buitenlandbijdrage over 2009 de maximum inkomens van € 32.369 en € 32.127 in aanmerking worden genomen. Voor de hoogte van de buitenlandbijdrage maakt het geen verschil of wordt uitgegaan van een jaarinkomen van € 142.325 of € 134.983 omdat deze bedragen beide hoger zijn dan de maximuminkomens. Het in de jaarafrekening vermelde bedrag aan Nederlands jaarinkomen van € 142.325 is slechts vermeld omdat op grond van het Nikula-arrest (HvJ EG 18 juli 2006, zaak C-50/05, ECLI:EU:C:2006:493) het bedrag aan buitenlandbijdrage beperkt dient te blijven tot het Nederlandse wettelijke pensioen.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

Voor de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en de berekeningssystematiek van de buitenlandbijdrage wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 9 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3129). In aansluiting daarop zijn de volgende artikelen van belang.


4.3.

Artikel 5.1 van de Regeling zorgverzekering (Regeling) (tekst 2009) bepaalt dat het bijdrage-inkomen dat voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van die wet (Zvw-deel), ten hoogste in aanmerking wordt genomen, wordt vastgesteld op € 32.369.


4.4.

Artikel 8, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekering (tekst 2009) bepaalt dat het premie-inkomen tot geen hoger bedrag in aanmerking wordt genomen dan het als tweede vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dat bedrag was voor 2009 € 32.127.


4.5.

Het Zorginstituut heeft het Zvw-deel en het AWBZ-deel van de buitenlandbijdrage berekend met inachtneming van de hiervoor genoemde maxima van € 32.369 en € 32.127. Voor de berekening van de buitenlandbijdrage is aldus niet van belang of wordt uitgegaan van een jaarinkomen van € 134.983 of een jaarinkomen van € 142.325.


4.6.

Betrokkene heeft bij de rechtbank gesteld dat in het belastbaar loon een bedrag van € 107.301 is opgenomen dat op een geblokkeerde rekening staat en niet tot zijn inkomen behoort. Hij heeft een kopie-bezwaarschrift inzake de vaststelling van het inkomen over 2009 overgelegd maar geen uitspraak van de inspecteur dat deze ook daadwerkelijk een ander inkomensgegeven heeft vastgesteld dan zoals blijkt uit de gegevens die het Zorginstituut heeft overgelegd. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding voor een nadere berekening van de hoogte van de buitenlandbijdrage.


4.7.

Ook zonder beschikking van de inspecteur van de Belastingdienst kan betrokkene op grond van artikel 21k, tweede lid, van de AWR de vaststelling van het inkomensgegeven voorleggen aan de inspecteur. Het behoort tot de bevoegdheid van deze inspecteur om te bepalen wat de hoogte van het belastbaar loon van appellante over 2009 is.


4.8.

Gelet op hetgeen in 4.2 tot en met 4.7 is overwogen slaagt het hoger beroep van het Zorginstituut. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 6 augustus 2012 ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma als lid, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2015.




(getekend) J.P.A. Boersma




(getekend) V. van Rij




AP