Centrale Raad van Beroep, 06-02-2015 / 13-4709 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:327

Inhoudsindicatie
Weigering Wajong-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-06
Publicatiedatum
2015-02-12
Zaaknummer
13-4709 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4709 WWAJ

Datum uitspraak: 6 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

18 juli 2013, 12/1821 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft H.J.A. Aerts hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de ziting van 5 december 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is geboren [in] 1994. Hij heeft op 5 april 2012 een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Hij heeft daarbij te kennen gegeven sinds 25 februari 2008 pijnklachten in de kuiten te hebben. Nadien is de diagnose chronisch compartiment syndroom gesteld.


1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellant op

3 juli 2012 onderzocht en de dossiergegevens bestudeerd. In zijn rapport van 11 juli 2012 heeft de verzekeringsarts gerapporteerd dat de beperkingen van appellant daaruit bestaan dat hij maximaal vijftien minuten achtereen kan lopen en staan, waarna hij even moet kunnen zitten. Bij besluit van 31 juli 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant 75% van het minimumloon kan verdienen en om die reden niet voor een uitkering op grond van de Wet Wajong in aanmerking komt.


1.3.

Bij besluit van 6 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 juli 2012 ongegrond verklaard. Daaraan lag een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Deze heeft op grond van dossieronderzoek en weging van verkregen gegevens tijdens de bezwaarprocedure, waaronder enkele bladzijden uit een rapport van chirurg-traumatoloog

F.A.J.M. van den Wildenberg, geen aanknopingspunten gezien om de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen onjuist te achten.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig en toereikend geweest. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts een anamnese heeft afgenomen en psychisch en lichamelijk onderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek vastgesteld. Verder heeft hij geen bijzonderheden aangetroffen aan de onderste extremiteiten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beschikbare medische informatie meegewogen in zijn beoordeling, waaronder (een deel van) de bevindingen van Van den Wildenberg, en gemotiveerd aangegeven waarom hij het standpunt van de verzekeringsarts onderschrijft. De rechtbank heeft overwogen dat het tot de specifieke bevoegdheid van de verzekeringsarts behoort om de beperkingen voor arbeid vast te stellen. Ook kan er niet aan worden voorbijgegaan dat het door Van den Wildenberg opgestelde belastbaarheidsprofiel is opgesteld in het kader van een letselschadeprocedure en zodoende een ander doel dient dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet Wajong.


2.3.

De rechtbank heeft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.


3. Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat hij als gevolg van de aandoening ‘chronisch compartimentsyndroom’ ernstige pijnklachten in beide onderbenen ondervindt, waardoor hij fysiek beperkt is en ook beperkingen heeft ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Naar zijn mening beschikt hij niet over duurzaam benutbare mogelijkheden. Hij vindt steun voor zijn standpunt in het eerder ingebrachte belastbaarheidsprofiel van 23 februari 2011, dat Van den Wildenberg aan de hand van de bevindingen van zijn onderzoek heeft opgesteld, en in een verklaring van sportarts

N.E.K.L. Liem van 17 april 2014. Over de arbeidskundige grondslag heeft appellant aangevoerd dat niet kenbaar is dat de functie medewerker tuinbouw, SBC-code 111110, op

6 april 2012 actueel was.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht over de medische grondslag van het bestreden besluit vormt in overwegende mate een herhaling van de door hem in beroep naar voren gebrachte gronden. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. Uit het belastbaarheidsprofiel dat Van den Wildenberg in het kader van een letselschadeprocedure heeft opgesteld volgt dat hij appellant (onder meer) ook beperkt acht op de onderdelen traplopen, klimmen en klauteren, duwen en trekken en dragen tot 10 kg. Zoals ook door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op

10 oktober 2010 is gerapporteerd, heeft appellant slechts enkele pagina’s uit het rapport van Van den Wildenberg ingezonden, waardoor een inzichtelijk onderbouwing van de voorgestane beperkingen onderbreekt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 10 oktober 2012 verder inzichtelijk toegelicht dat de criteria voor het invullen van het belastbaarheidsprofiel in het kader van letselschadeprocedures, waarbij de AMA-Guides leidend zijn, anders zijn dan voor de invulling van de FML in het kader van de arbeidsongeschiktheidszaken, waardoor het belastbaarheidsprofiel en de FML niet overdraagbaar zijn. Over de geclaimde beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren wordt overwogen dat appellant in hoger beroep geen medische stukken in geding heeft gebracht die zijn claim kunnen onderbouwen dat hij op persoonlijk en sociaal gebied beperkt is. De ingezonden verklaring van Liem ziet niet kenbaar op de datum in geding. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een deskundige te benoemen.


4.2.

Ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant juist zijn gewaardeerd, is er geen aanleiding om te oordelen dat de geselecteerde functies niet passend zijn voor appellant. De motivering hiervoor is terug te vinden in de toelichting van de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 29 oktober 2012. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 21 oktober 2013 toegelicht dat de functie ‘medewerker tuinbouw’ ook op 6 april 2012 met een actuele versie in het CBBS voorkwam.


4.3.

De overwegingen 4.1 en 4.2 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) B. Rikhof






nk