Centrale Raad van Beroep, 16-09-2015 / 14/6844 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:3274

Inhoudsindicatie
De door werknemer verstrekte informatie over sollicitaties in de maanden augustus, september en oktober 2012 laat zien dat hij in deze maanden voldoende sollicitatie-activiteiten heeft verricht. Het Uwv is terecht voorbij gegaan aan het verzoek van appellante om wegens onvoldoende solliciteren in de maanden oktober 2011, december 2011, februari 2012 en maart 2012 een maatregel op te leggen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-16
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
14/6844 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/343
  • TRA 2015/106 met annotatie van B.J.M. de Leest
  • RSV 2015/254
  • USZ 2015/381 met annotatie van M.J.A.C. Driessen
Uitspraak

14/6844 WW

Datum uitspraak: 16 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

5 november 2014, 13/1512 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Stichting A.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. Beers hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2015. Voor appellante zijn verschenen mr. Beers en mr. J. Visser, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

OVERWEGINGEN


1.1.

[X.] (werknemer) is tot 1 augustus 2011 werkzaam geweest bij appellante.


1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 24 augustus 2011 werknemer met ingang van 1 augustus 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In dit besluit is vermeld dat van werknemer wordt verwacht dat hij gemiddeld ten minste één keer per week solliciteert.


1.3.

Appellante heeft bij brief van 13 november 2012 werknemer verzocht een overzicht met bewijsstukken te verstrekken van zijn activiteiten om weer aan het werk te komen. Bij e-mail van 26 november 2012 heeft werknemer aan dit verzoek voldaan. Vervolgens heeft appellante op 21 februari 2013 een zogenoemde melding verwijtbaar gedrag tijdens re-integratietraject (melding) aan het Uwv doen toekomen. Appellante heeft een overzicht bijgevoegd van sollicitaties van werknemer en daarbij vermeld dat werknemer over de maanden december 2011, februari 2012 en maart 2012 onvoldoende sollicitaties heeft verricht.


1.4.

Bij besluit van 7 maart 2013 heeft het Uwv appellante bericht in de gedane melding geen aanleiding te zien om een maatregel op te leggen of de uitkering van werknemer te herzien. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, gesteld dat werknemer in de maanden oktober 2011, december 2011, februari 2012 en maart 2012 onvoldoende heeft gesolliciteerd en het Uwv verzocht haar schadeloos te stellen voor de ten onrechte te hoog uitbetaalde uitkering.


1.5.

Bij besluit van 16 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 maart 2013 ongegrond verklaard en het verzoek om schadeloosstelling afgewezen. Het Uwv heeft zijn beoordeling beperkt tot de laatste twee maanden vermeld op het overzicht van sollicitatieactiviteiten van werknemer, te weten de maanden oktober 2012 en november 2012. Bij besluit van 23 augustus 2013 heeft het Uwv de WW-uitkering van werknemer wegens werkhervatting beëindigd met ingang van 26 augustus 2013.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv niet alsnog een maatregel kan opleggen. Evenmin kan aanspraak worden gemaakt op een schadevergoeding op grond van artikel 108, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wet financiering sociale verzekering, omdat die mogelijkheid tot schadevergoeding gekoppeld is aan de schade die voortvloeit uit de toepassing van artikel 23, eerste lid, van de WW. Het Uwv kan dat artikel in het geval van werknemer niet meer toepassen.


3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep gekeerd. Volgens appellante was het wel mogelijk geweest om haar schadeloos te stellen voor het bedrag dat een aan werknemer opgelegde maatregel zou hebben ingehouden. Appellante heeft verder herhaald dat werknemer niet aan zijn sollicitatieverplichting heeft voldaan. Een beperking van het onderzoek door het Uwv tot maximaal drie maanden ontbeert volgens appellante juridische grondslag.


3.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat er wel een belang is om vast te stellen of het besluit om geen maatregel op te leggen, de rechterlijke toets kan doorstaan, omdat ook anders dan door toepassing van artikel 23, eerste lid, van de WW kan komen vast te staan dat onrechtmatig is gehandeld en dat het Uwv dan gehouden is de daaruit voortvloeiende schade te compenseren. De reden om in dit geval naar aanleiding van de melding geen maatregel op te leggen is in het verweerschrift als volgt nader toegelicht:


“UWV hanteert in de uitvoeringspraktijk als uitgangspunt dat als een dergelijke melding onvoldoende wordt onderbouwd, zonder nader onderzoek een beslissing wordt genomen waarin wordt medegedeeld dat de melding geen indicatie geeft voor verwijtbaar gedrag van de betreffende uitkeringsgerechtigde. Dit om te voorkomen dat werkgevers ongefundeerde meldingen doen, om te bereiken dat UWV vaker dan afgesproken een controle uitvoert. Voorgaande is ook in lijn met de al eerder aangehaalde uitspraak van de CRvB d.d. 26 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:595). Uit deze uitspraak volgt immers dat de werkgever die wil bereiken dat de WW-uitkering wordt herzien of ingetrokken, gerede twijfel over de aanspraak op de uitkering naar voren dient te brengen.


Als de door de overheidswerkgever gedane melding wel goed is onderbouwd, wordt door UWV enkel onderzoek verricht naar de sollicitatieactiviteiten van de laatste

3 kalendermaanden (voorafgaande aan de melding). Als de werkgever bij de melding sollicitatieactiviteiten meestuurt over bijvoorbeeld de afgelopen 2 maanden, dan beperken we het onderzoek tot deze kortere periode omdat er voor het overige immers geen indicaties zijn die erop duiden dat de uitkeringsgerechtigde zijn verplichtingen niet nakomt.


Dat het onderzoek wordt beperkt tot (maximaal) 3 maanden houdt (eveneens) verband met het feit dat het zwaartepunt van de controle op sollicitatieactiviteiten bij de overheidswerkgever ligt. Door inhoud te geven aan zijn wettelijke re-integratietaak kan de werkgever het sollicitatie gedrag immers nauwgezet volgen, waardoor ook in voertijdig stadium melding kan worden gedaan van verwijtbaar gedrag. Als men heeft nagelaten een re-integratietraject te starten, ligt het niet voor de hand om naar aanleiding van een melding van overheidswerkgever vanuit UWV (alsnog) een onderzoek te starten naar de sollicitatieactiviteiten over een allang verstreken uitkeringsperiode. Dit is niet te rijmen met de re-integratietaak die diezelfde werkgever van de wetgever opgedragen heeft gekregen. Met het hanteren van een termijn van (maximaal)

3 maanden is (ook) aansluiting gezocht bij de frequentie die het Werkbedrijf van UWV hanteert bij de (voortgangs)gesprekken die de werkcaoch heeft met de

WW-gerechtigden die niet vanuit de O&O-sector werkloos zijn geworden.

In de "Werkwijze artikel 72a WW" van september 2013 staat inmiddels ook uitdrukkelijk vermeld dat meldingen van overheidswerkgevers worden beoordeeld in de context van de re-integratietaak die de werkgever heeft: "Bij een melding richt UWV zich op de actualiteit, en bijvoorbeeld niet op het sollicitatiegedrag van afgelopen jaar" (zie paragraaf 7.2.).


Op 21 februari 2013 maakt appellante melding van mogelijk verwijtbaar gedrag. In kwantitatief zin zou volgens appellante in de maanden december 2011, en februari en maart 2012, onvoldoende sollicitatieactiviteiten zijn verricht. De betreffende maanden vallen (ver) buiten de termijn van 3 maanden die UWV bij een melding verwijtbaar gedrag hanteert. Verder is het maar zeer de vraag of deze melding verwijtbaar gedrag moet worden opgevat als een melding in de zin van artikel 5:17 van het Besluit SUWI. Nergens valt echter uit af te leiden dat appellante concrete invulling heeft gegeven aan de in artikel 72a van de WW opgenomen re-integratietaak en dat appellante bij de uitoefening van zijn re-integratietaak signalen heeft gekregen dat de betreffende uitkeringsgerechtigde onvoldoende meewerkt aan zijn re-integratie. De conclusie is dan ook dat er voor UWV onvoldoende aanleiding was om een maatregel op te leggen.”


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld heeft appellante wel procesbelang bij een beoordeling van de vraag of op basis van haar melding van 21 februari 2013 alsnog aan werknemer een maatregel had moeten worden opgelegd wegens het gestelde in onvoldoende mate trachten passende arbeid te verkrijgen in de maanden oktober 2011, december 2011, februari 2012 en maart 2012. Appellante heeft gesteld dat zij schade heeft geleden door het besluit van 7 maart 2013 om geen maatregel op te leggen. Aangezien dit besluit voor de inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten bekend is gemaakt, is schadevergoeding met toepassing van artikel 8:73 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht mogelijk indien haar beroep tegen het bestreden besluit, waarbij het besluit van 7 maart 2013 is gehandhaafd, gegrond zou zijn. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep ten gronde beoordelen.


4.2.

Voor de beoordeling of het Uwv in de melding van appellante aanleiding had moeten zien voor het opleggen van een maatregel is de volgende wet- en regelgeving van belang.


4.2.1.

Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW voorkomt de werknemer dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Ter uitvoering van dit voorschrift hanteert het Uwv een beleid dat er ten aanzien van werknemer op neerkomt dat hij in een periode van vier weken vier sollicitaties moet verrichten.


4.2.2.

Uit artikel 27, derde lid, van de WW vloeit voort dat indien de werknemer de sollicitatieverplichting uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW niet of niet behoorlijk is nagekomen, de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd.


4.2.3.

Op grond van artikel 27, zesde lid, van de WW wordt een maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden.


4.2.4.

Uit de artikelen 2, eerste lid, aanhef en onder c, en 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregel maatregelen Uwv volgt dat de hoogte en de duur van een maatregel wegens overtreding van de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW omschreven verplichting wordt vastgesteld op 25 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent, gedurende ten minste vier maanden.


4.2.5.

Artikel 5:17, derde lid, van het Besluit SUWI bepaalt dat een overheidswerkgever het Uwv op verzoek of uit eigen beweging kennis kan geven van het gegronde vermoeden dat een persoon van wie de inschakeling in de arbeid wordt bevorderd, onvoldoende medewerking verleent aan deze werkzaamheden, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de WW door het Uwv.


4.3.

In de Werkwijzer ʺartikel 72a WWʺ zijn de afspraken tussen het Uwv en het Verbond Sectorwerkgevers Overheid en enkele overheidswerkgevers neergelegd. In de Werkwijzer is bepaald dat het Uwv steekproefsgewijs controleert of een werkloze overheidswerknemer aan zijn sollicitatieplicht voldoet. Daarbij is uitgangspunt dat het Uwv de wettelijke taak heeft om het naleven van de sollicitatieplicht ook van werkloze overheidswerknemers te controleren en om - indien sprake is van verwijtbaar tekortschieten - een maatregel op te leggen.


4.4.

Onder meer in zijn uitspraak van 26 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:596, heeft de Raad de opvatting van het Uwv onderschreven dat hij zijn controle op het voldoen aan de sollicitatieverplichting van WW-gerechtigden steekproefsgewijs mag uitvoeren en daarbij de periode bepaalt waarover de WW-gerechtigde een overzicht van zijn sollicitatieactiviteiten verstrekt. Ook in een situatie dat een controle naar aanleiding van een melding van een overheidswerkgever plaatsvindt, is het aan het Uwv de te onderzoeken periode te bepalen. Het Uwv heeft bij de bepaling van de periode, waarover het door appellante gestelde niet nakomen van de verplichting om te trachten passende arbeid te verkrijgen wordt beoordeeld, aansluiting gezocht bij een termijn van maximaal de laatste drie maanden voorafgaand aan de melding. Die termijn hanteert het Uwv in beginsel ook bij een controle ten aanzien van

WW-gerechtigden die niet uit de sector Overheid & Onderwijs werkloos zijn geworden, zoals het Uwv in zijn verweerschrift heeft gesteld. Het Uwv is jegens appellant niet gehouden tot het hanteren van een nog langere termijn omdat dit een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling tussen WW-gerechtigden zou opleveren. Het hanteren van het tijdstip van de melding aan het Uwv als eindpunt van een beoordelingsperiode van drie kalendermaanden ziet er echter aan voorbij dat een overheidswerkgever, die wil bereiken dat een maatregel aan de werknemer wegens onvoldoende solliciteren wordt opgelegd, de melding ook zal moeten onderbouwen met relevante informatie van of over zijn werknemer. Dit in aanmerking genomen is het hanteren van een beoordelingstermijn van de laatste drie kalendermaanden voorafgaand aan de maand waarin de overheidswerkgever ter onderbouwing van de melding het verzoek om informatie over sollicitatieactiviteiten aan de werkloze overheidswerknemer heeft gedaan, een passend uitgangspunt.


4.5.

Bij brief van 13 november 2012 heeft appellante voor het eerst werknemer om informatie verzocht over zijn activiteiten om weer aan het werk te komen. De door werknemer verstrekte informatie over sollicitaties in de maanden augustus, september en oktober 2012 laat zien dat hij in deze maanden voldoende sollicitatie-activiteiten heeft verricht. Uit deze constatering, bezien in samenhang met wat in 4.4 is overwogen, volgt dat het Uwv terecht voorbij is gegaan aan het verzoek van appellante om wegens onvoldoende solliciteren in de maanden oktober 2011, december 2011, februari 2012 en maart 2012 een maatregel op te leggen.


4.6.

Het Uwv heeft bij het bestreden besluit zijn besluit van 7 maart 2013 terecht gehandhaafd. Voor een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade bestaat geen ruimte, omdat het beroep ongegrond moet worden verklaard.


5. Voor een veroordeling tot vergoeding van in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand gemaakte proceskosten bestaat aanleiding. Deze kosten worden begroot op € 980,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van

€ 980,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 493,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) K. de Jong




AP