Centrale Raad van Beroep, 23-09-2015 / 13/4948 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:3276

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-23
Publicatiedatum
2015-09-30
Zaaknummer
13/4948 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4948 ZW

Datum uitspraak: 23 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

31 juli 2013, 13/2444 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Breevoort hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en twee rapporten ingezonden van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 maart 2015 en van 22 april 2015.

Bij brief van 29 januari 2014 heeft mr. J.H. Pelle, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2015, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pelle. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, per 12 juli 2012 ziek gemeld wegens een operatie aan het rechter enkelgewricht. In aansluiting daarop heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 17 januari 2013 de ZW-uitkering per 24 januari 2013 beëindigd omdat appellant weer geschikt wordt geacht voor zijn laatstelijk verrichte arbeid (makelaar in woningen). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, na advies van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, ongegrond verklaard bij zijn beslissing op bezwaar van 19 februari 2013 (bestreden besluit).


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is het onderzoek door de verzekeringsartsen onjuist of onvolledig te achten. In de door appellant overgelegde medische informatie heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellant zijn onderschat door de artsen van het Uwv. Verder is overwogen dat de verzekeringsartsen voldoende kennis hebben gehad van de belangrijkste taken die appellant als makelaar heeft verricht, inclusief de daaraan verbonden belasting. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat appellant met ingang van 24 januari 2013 weer in staat moet worden geacht zijn werk als makelaar te kunnen doen.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de artsen van het Uwv de medische beperkingen die hij ondervindt ten gevolge van onder meer enkel- en knieklachten hebben onderschat. Voorts is appellant van mening dat de fysieke belasting zoals die voorkwam in zijn werk, door het Uwv niet goed in kaart is gebracht. Daarbij is onder meer gewezen op de reeds in beroep bij de rechtbank ingebrachte medische informatie. Op de zitting heeft appellant desgevraagd nader toegelicht dat hij niet betwist te hebben verklaard over zijn werkzaamheden zoals is weergegeven door de arbeidsdeskundige in haar rapport van

4 december 2012, maar dat van een florerend makelaarskantoor dient te worden uitgegaan, in welk geval volgens appellant in een substantieel grotere mate sprake zal zijn van voor hem belastende factoren zoals lopen, traplopen en reizen. De arbeidsdeskundige is ten onrechte uitgegaan van een verhouding in het werk tussen zitten en staan/lopen van 75% respectievelijk 25%.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.


4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is het onderzoek door de verzekeringsartsen onjuist of onvolledig te achten. De verzekeringsarts heeft immers dossierstudie verricht, informatie van de behandelend orthopedisch chirurg in aanmerking genomen en appellant gezien op het spreekuur. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eveneens dossierstudie verricht, appellant gezien op het spreekuur, een anamnese afgenomen en informatie van een behandelend reumatoloog bij zijn beoordeling betrokken. Op basis van zijn onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het oordeel van de primaire verzekeringsarts onderschreven.


4.3.

Appellant heeft ook in hoger beroep gewezen op onder meer brieven van 25 maart 2013 en van 5 juni 2013 van een orthopedisch chirurg, F.M.C. van Eeden. Deze arts heeft echter niet inzichtelijk gemaakt waarom hij het niet eens is met de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid noch waarom hij van mening is dat appellant geen arbeid met een omvang van 40 uur per week zou kunnen verrichten. Bovendien is appellant ten tijde van belang niet bij deze arts onder behandeling geweest en heeft deze arts appellant niet onderzocht. De rechtbank heeft in de genoemde brieven dan ook terecht geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De overige door appellant reeds in beroep ingebrachte medische informatie geeft evenmin aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.


4.4.

De arbeidsdeskundige heeft volgens haar rapport van 4 december 2012 in samenspraak met appellant de belastende aspecten in de werkzaamheden, die appellant als makelaar heeft verricht, in kaart gebracht. Tevens heeft zij in dat rapport weergegeven hoe deze belastende aspecten zich tot elkaar verhouden. Zo zouden de aspecten zitten en staan/lopen tot elkaar in een verhouding staan van 75% tot 25% van de dagelijkse werkzaamheden. Het staan en lopen kan volgens het rapport worden afgewisseld. Er is onvoldoende aanleiding om deze weergave door de arbeidsdeskundige van de belastende factoren dan wel de verhouding waarin zij zich voordoen, voor onjuist te houden. Het op de zitting ingenomen standpunt dat van de werkzaamheden van een makelaar in een florerende markt dient te worden uitgegaan wordt niet gevolgd, omdat uit artikel 19, vijfde lid, van de ZW voortvloeit dat als maatstaf voor het begrip “zijn arbeid” dient te gelden de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. Niet gebleken is dat de werkzaamheden van appellant in aard of mate afwijkend zijn geweest van de gebruikelijke werkzaamheden van een makelaar bij een soortgelijke werkgever.


4.5.

Voor zover uit de beschrijving van de werkzaamheden door de arbeidsdeskundige zou voortvloeien dat het zitten en staan/lopen per dag tot elkaar in een verhouding zouden staan van 65% tot 35 %, blijft dit volgens het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 april 2015 binnen de belastbaarheid van appellant, gezien de mogelijkheid van afwisseling tussen staan en lopen. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat appellant volgens de artsen van het Uwv licht beperkt is voor langdurig achter elkaar staan en lopen, namelijk niet meer dan vier uur per dag. Deze grens wordt in de genoemde verhouding van 65% tot 35% niet overschreden. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het Uwv met juistheid heeft vastgesteld dat appellant op 24 januari 2013 weer geschikt moet worden geacht om zijn werkzaamheden als makelaar te verrichten.


4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) V. van Rij




AP