Centrale Raad van Beroep, 23-09-2015 / 14/2101 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:3279

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor "zijn" arbeid. Appellant is in staat één van de in het kader van de Wet WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-23
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
14/2101 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2101 ZW

Datum uitspraak: 23 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

14 maart 2014, 13/5152 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.C. Mourits, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was voor 32 uur per week werkzaam als kok, toen hij op 11 oktober 2007 is uitgevallen met hartklachten. Een aanvraag van appellant om hem met ingang van

9 februari 2010 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv afgewezen. Appellant werd geschikt geacht voor het verrichten van functies, waarmee hij een dusdanig inkomen kon verwerven dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Hierop heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Vanuit deze situatie heeft appellant zich op 29 augustus 2011 ziek gemeld, waarna hij in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).


1.2.

Bij besluit van 26 februari 2013 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 4 maart 2013 beëindigd omdat hij weer geschikt zou zijn om zijn arbeid te verrichten.


1.3.

Bij besluit van 30 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe beoordeeld of appellant op en na 4 maart 2013 in staat was één van de in het kader van de Wet

WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig dan wel de uitkomst hiervan onjuist te achten. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat hij aandacht heeft besteed aan alle klachten van appellant en geen klachten over het hoofd heeft gezien. Appellant heeft zijn standpunt dat hij voor minder uur per dag belastbaar is niet medisch onderbouwd. Het inwinnen van een medisch deskundigenadvies heeft de rechtbank mede daarom niet noodzakelijk geacht. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant terecht geschikt geacht voor het verrichten van de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functie van inpakker.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de inhoud van een brief van 13 maart 2014 van de gemachtigde van appellant, in welke brief aanvullende medische informatie werd verstrekt.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar overweging 4.1 van de aangevallen uitspraak.


4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die hiertoe hebben geleid, worden onderschreven. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd.


4.3.

Voor zover appellant erover heeft geklaagd dat de rechtbank geen acht heeft geslagen op de brief van 13 maart 2014, wordt vastgesteld dat de rechtbank deze brief pas heeft ontvangen op de dag waarop de aangevallen uitspraak is uitgesproken en, zoals blijkt uit het in de aangevallen uitspraak weergegeven procesverloop, na sluiting van het onderzoek. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Daarnaast biedt de Awb geen ruimte om na sluiting van het onderzoek ingekomen stukken nog bij de beoordeling van het geding te betrekken (ECLI:NL:CRVB:2000:AE8316). In zoverre faalt de grond.


4.4.

In hoger beroep leidt de brief van 13 maart 2014 niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. Deze brief betreft medische informatie over appellant van ruim een jaar na de datum in geding. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 11 juni 2014 toegelicht dat de hartritmestoornissen van appellant een verklaring zouden kunnen zijn voor de perioden van duizeligheid ten tijde in geding, maar dat deze perioden van duizeligheid destijds zijn betrokken bij de beoordeling door de artsen van het Uwv. Appellant heeft hierop niet meer gereageerd. Zonder nadere toelichting kan de informatie in genoemde brief niet afdoen aan de beoordeling van de medische situatie van appellant op de datum in geding.


4.5.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.







BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) P. Uijtdewillegen




NK