Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 13/6925 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3292

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag. Onduidelijke woonsituatie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-09-30
Zaaknummer
13/6925 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6925 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

31 oktober 2013, 13/4329 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Gouda (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P.G. Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2015. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen, haar gemachtigde met bericht. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M.P. de Wit.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 26 juni 2012 heeft het college de aanvraag van appellante van 15 mei 2012 om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand afgewezen. Na bezwaar en beroep heeft de voorzieningenrechter van de Raad (Raad) in hoger beroep bij uitspraak van 12 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3921, geoordeeld dat het college deze aanvraag terecht heeft afgewezen. Daartoe heeft de Raad overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de te beoordelen periode van 15 mei 2012 tot en met 26 juni 2012 woonde op het door haar opgegeven adres, [adres ] in [woonplaats]. Daarbij is het volgende van belang geacht. Appellante stond sinds augustus 2011 weliswaar ingeschreven op het adres van haar broer aan de [adres ], maar tijdens een met haar op 15 mei 2012 gevoerd gesprek heeft zij wisselend geantwoord op de vraag op welke wijze zij, haar broer en schoonzus en hun vier kinderen van de drie slaapkamers in de woning gebruik maakten. In eerste instantie heeft appellante verklaard dat haar broer en zijn gezin van alle drie de slaapkamers gebruik maakten. Toen haar duidelijk werd gemaakt dat er dan een slaapkamer zou ontbreken, heeft zij haar verklaring bijgesteld. Daarnaast stemt haar verklaring niet overeen met de feitelijke situatie zoals die tijdens een op 25 juni 2012 verricht huisbezoek is aangetroffen. In de door appellante als haar slaapkamer getoonde kamer is geen bed en geen matras aangetroffen. Daarnaast zijn in deze kamer slechts enkele kledingstukken, een deodorant en een mapje met brieven op naam van appellante aangetroffen en heeft zij desgevraagd aangegeven dat verder geen persoonlijke bezittingen van haar in de woning aanwezig waren. Hieruit volgt de conclusie dat appellante geen juiste informatie heeft gegeven over het adres waar zij feitelijk woonde. Daardoor heeft appellante niet voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld en de aanvraag terecht is afgewezen.


1.2.

Appellante heeft op 16 januari 2013 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 13 maart 2013 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat na de eerdere afwijzende beslissing niet is gebleken van een wijziging van feiten en/of omstandigheden waardoor appellante nu wel zou voldoen aan de vereisten voor toekenning van bijstand. Uit het naar aanleiding van de aanvraag ingestelde onderzoek, waaronder een huisbezoek op 28 februari 2013, kan niet worden vastgesteld dat ze haar hoofdverblijf op het adres [adres ] heeft.


1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 maart 2013. Bij brief van

22 mei 2013 heeft zij aanvullende gronden van bezwaar ingediend en het college tevens verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in

artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het college heeft hiermee ingestemd en het bezwaarschrift bij brief van 27 mei 2013 doorgestuurd naar de rechtbank met het verzoek de behandeling van het bezwaarschrift over te nemen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 13 maart 2013 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover hier van belang, overwogen dat appellante er niet in is geslaagd de bij de eerdere aanvraag om bijstand geconstateerde onduidelijkheid over haar woonsituatie weg te nemen. Dit oordeel vindt volgens de rechtbank steun in de bevindingen van het huisbezoek van 28 februari 2013 en in wat appellante tijdens het op die dag met haar gevoerde gesprek heeft verklaard. Tijdens het huisbezoek zijn weinig persoonlijke bezittingen van appellante aangetroffen. De in de zolderkast aangetroffen kleding was of te groot of te klein voor appellante. Appellante verklaarde dat zij slechts één paar schoenen had en niet in het bezit was van een jas. De jas die zij tijdens het huisbezoek aan had, zou zij hebben geleend van haar schoonzus. De aangetroffen administratie dateerde uit 2012. Daarnaast heeft appellante voorafgaand aan het huisbezoek verklaard al drie weken geen sleutel van de woning te hebben. De rechtbank heeft ten aanzien van de door appellante aangegeven discrepanties tussen de rapportage van het huisbezoek en de huisbezoekcontrolelijst overwogen dat door appellante ter zitting is erkend dat de beschrijving van de tijdens het huisbezoek aangetroffen situatie juist is. Dat appellante de daaraan verbonden conclusie niet deelt, is wat anders. Het betoog ten aanzien van tegenstrijdigheid in de verklaringen heeft de rechtbank onbesproken gelaten, nu deze tegenstrijdigheid niet aan het bestreden besluit ten grondslag ligt.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft zich, onder verwijzing naar wat in beroep is aangevoerd, op het standpunt gesteld dat de uitspraak van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet is ingegaan op het standpunt van appellante dat er onvoldoende waarborgen zijn om uit te gaan van de juistheid van de rapportages van de gemeenteambtenaren.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De in dit geding te beoordelen periode loopt van 16 januari 2013 tot en met 13 maart 2013.


4.2.

Indien een eerdere aanvraag om periodieke bijstand is afgewezen en de betrokkene opnieuw een aanvraag indient, gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.


4.3.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. In die gronden ziet de Raad geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank, zoals in de aangevallen uitspraak is verwoord. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel berust en verwijst daarnaar.


4.4.

De Raad voegt daaraan toe dat, anders dan appellante betoogt, de rechtbank is ingegaan op het standpunt van appellante dat er onvoldoende waarborgen zijn om aan te nemen dat de rapportages van de gemeenteambtenaren een juiste weergave vormen van de waargenomen situatie en van wat appellante heeft verklaard. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat van die rapportages kan worden uitgegaan. Appellante heeft ter zitting bij de rechtbank immers erkend dat de beschrijving van de tijdens het huisbezoek aangetroffen kleding op zichzelf juist is. Bovendien heeft appellante de tijdens het huisbezoek ingevulde controlelijst zonder voorbehoud ondertekend.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) J.L. Meijer



HD