Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 14/3694 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3297

Inhoudsindicatie
Bij de vaststelling van de omvang van het vermogen kan - onder voorwaarden - met schulden rekening worden gehouden. Aan die voorwaarden is hier niet voldaan. Ten aanzien van de auto heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het college ten onrechte is uitgegaan van de waarde volgens de ANWB-BOVAG koerslijst. Gelet op de vastgestelde waarde, is de auto niet algemeen gebruikelijk. De bijstand van appellante over periode 1 is ten onrechte ingetrokken nu sprake is van toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
14/3694 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2016/128
Uitspraak

14/3694 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 mei 2014, 13/1125 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen, het college desgevraagd, hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verkoeijen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F. van de Vlekkert en C.M. van Leeuwen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 24 januari 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij de toekenning van de bijstand is het vermogen van appellante voorlopig vastgesteld op € 2.051,63. Het besluit tot toekenning van bijstand van 14 februari 2012 vermeldt dat indien na afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden blijkt dat appellante ten onrechte of teveel bijstand heeft ontvangen deze van haar zal worden teruggevorderd.


1.2.

Bij besluit van 17 september 2012 heeft het college het vermogen van appellante per

24 januari 2012 definitief vastgesteld op € 27.051,63. Bij besluit van 20 september 2012 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2012 ingetrokken en de over de periode van 24 januari 2012 tot en met 31 augustus 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.650,14 van appellante met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB teruggevorderd op de grond dat het vermogen van appellante per 24 januari 2012 hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm omdat zij naderhand de beschikking heeft gekregen over in aanmerking te nemen middelen.


1.3.

Bij besluit van 10 december 2012 heeft het college, onder intrekking van de besluiten van 17 september 2012 en 20 september 2012, het vermogen opnieuw vastgesteld op € 27.051,63, de bijstand van appellante met ingang van 24 januari 2012 ingetrokken en de over de periode van 24 januari 2012 tot en met 31 augustus 2012 gemaakte kosten van bijstand wederom onder toepassing van genoemde bepaling tot een bedrag van € 6.650,14 van appellante teruggevorderd. De besluitvorming berust op de grond dat het vermogen van appellante vanaf 24 januari 2012 hoger is dan de voor haar geldende norm omdat zij medio 2012 als gevolg van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen en schulden de beschikking heeft gekregen over in aanmerking te nemen middelen.


1.4.

Bij besluit van 19 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 10 december 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat voor wat betreft de door appellante gestelde schulden van € 350,- aan haar dochter [X.] en € 1.500,- aan [Y.], niet aannemelijk is geworden dat aan die schulden daadwerkelijk een verplichting tot terugbetaling is verbonden en dat het bestaan van die schulden ook niet met administratieve bescheiden is onderbouwd. Appellante heeft wel aannemelijk gemaakt dat zij een schuld heeft van € 8.000,- aan haar dochter [Z.] en dat aan die schuld een terugbetalingsverplichting is verbonden. Het college heeft ten onrechte die schuld niet in aanmerking genomen bij de vaststelling van het vermogen. Het college heeft voor de waardebepaling van de auto, een Mini Cooper cabrio 1.6 85 KW uit november 2004 (auto), af kunnen gaan op de

ANWB-BOVAG koerslijst, maar had conform zijn beleid van de waarde van de auto alleen het meerdere boven € 1.361,34 in aanmerking mogen nemen. De rechtbank heeft het vermogen van appellante opnieuw berekend en aldus vastgesteld op € 17.690,29, waarmee nog steeds de geldende vermogensgrens wordt overschreden. De rechtbank heeft het motiveringsgebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft het college veroordeeld in de proceskosten van appellante en tot vergoeding van het door haar in beroep betaalde griffierecht.3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij voert aan, zoals ter zitting nader toegelicht, dat de rechtbank bij de vaststelling van haar vermogen ten onrechte de schulden aan haar dochter [X.] en aan [Y.] buiten beschouwing heeft gelaten en is uitgegaan van de door het college gehanteerde waarde van haar auto. Volgens appellante was de auto ten tijde hier van belang niet meer waard dan circa € 5.000,-. In dit verband heeft appellante erop gewezen dat het college bij de toekenning van de bijstand met ingang van

21 juli 2013 is uitgegaan van een waarde van € 4.800,-, het bedrag waarop garagebedrijf

[C.] de auto op 1 augustus 2013 heeft getaxeerd. Daarnaast is appellante van mening dat deze auto moet worden aangemerkt als een bezitting in natura die naar zijn aard en waarde algemeen gebruikelijk is dan wel gelet op haar omstandigheden noodzakelijk is, zodat de auto ingevolge artikel 34, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB bij de vaststelling van het vermogen geheel buiten aanmerking moet blijven. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Bovendien heeft toepassing van de beleidsregels van het college inzake terugvordering voor haar gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de beleidsregels dienen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Terugvordering

4.1.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:

1°. de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken;

2°. bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3358) bestaat in geval van toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB geen wettelijke basis voor een voorafgaand herzienings- en/of intrekkingsbesluit. Dit betekent dat het college de bijstand van appellante ten onrechte over de periode van 24 januari 2012 tot en met 31 augustus 2012 (periode 1) heeft ingetrokken. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Daaruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het bestreden besluit, voor zover daarbij de intrekking van de bijstand over de periode van 24 januari 2012 tot en met 31 augustus 2012 is gehandhaafd, moet eveneens worden vernietigd en het besluit van 10 december 2012 moet in zoverre worden herroepen. 4.3. De Raad zal vervolgens eerst beoordelen of het college op goede gronden de gemaakte kosten van bijstand over periode 1 heeft teruggevorderd en meer in het bijzonder of appellante, zoals de rechtbank heeft geoordeeld en door het college in hoger beroep is onderschreven, de beschikking heeft gekregen over in aanmerking te nemen middelen waardoor zij beschikte over een vermogen van € 17.690,29.


4.4.1.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij de vaststelling van de omvang van het vermogen ingevolge de WWB rekening kan worden gehouden met schulden mits het bestaan daarvan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en daaraan een concrete en daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.


4.4.2.

Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de schulden aan haar dochter [X.] van € 350,- en [Y.] van € 1.500,- aan de in 4.4.1 genoemde voorwaarden voldoen.


4.4.3.

Ten bewijze van de schuld aan haar dochter [X.] heeft appellante uitsluitend een

verklaring van deze dochter, gedateerd 25 januari 2010, ingeleverd, inhoudende dat zij aan appellante € 350,- heeft geleend. Enig bewijs dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling van dit bedrag was verbonden heeft appellante niet geleverd. Dat het college blijkens het besluit van 17 november 2011 wel is uitgegaan van deze lening leidt niet tot een ander oordeel, omdat daarbij de aanvraag om bijstand was afgewezen op de grond dat appellante per saldo beschikte over een te hoog vermogen. Uit het onderliggende rapport van 15 november 2011 kan worden afgeleid dat de schuld van € 350,- niet is onderzocht, omdat duidelijk was dat de positieve vermogensbestanddelen zodanig waren dat het vermogen van appellante aan bijstandsverlening in de weg stonden.


4.4.4.

Als bewijs van de schuld aan [Y.] heeft appellante gewezen op een door haar en [Y.] ondertekende schuldverklaring van 11 januari 2010, inhoudende dat hij op die dag € 1.500,- aan appellante heeft geleend. In bezwaar heeft appellante een ongedateerde verklaring, alleen ondertekend door [Y.], ingebracht, inhoudende dat bij de lening van € 1.500,- aan appellante was afgesproken dat zij hem terugbetaalt als zij “haar spaargeld uit haar echtscheiding terugkrijgt.” In hoger beroep heeft appellante de schuldverklaring van

11 januari 2010 waarop de aantekening “Voldaan 2-6-2015” is geschreven en daarbij de handtekening van [Y.], ingezonden. Met deze stukken heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij in januari 2010 van [Y.] een bedrag van € 1.500,- heeft geleend, waaraan op dat moment daadwerkelijk een reële verplichting tot terugbetaling was verbonden. Uit de schuldverklaring van 11 januari 2010 blijkt dat niet. Hoewel appellante en haar voormalige echtgenoot eind juli 2012 overeenstemming hebben bereikt over de financiële afwikkeling van de echtscheiding, heeft appellante volgens laatstgenoemde verklaring van [Y.] niet eerder dan op 2 juni 2015 de schuld voldaan. Dit is niet in overeenstemming met de ongedateerde verklaring van [Y.], terwijl appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij medio 2012 een afwijkende afspraak heeft gemaakt met [Y.] over terugbetaling. Uit deze gang van zaken valt veeleer af te leiden dat de verplichting tot terugbetaling afhankelijk was van een onzekere toekomstige gebeurtenis, namelijk dat appellante, zoals zij het college bij brief van 7 september 2012 ook heeft bericht, op enig moment over haar spaargeld kon beschikken. In een dergelijk geval kan niet van een concrete en daadwerkelijke terugbetalingsverplichting worden gesproken (zie de uitspraak van de Raad van 18 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7067).


4.5.1.

Bij de vaststelling van de waarde van de auto van appellante is het college uitgegaan van de ANWB-BOVAG koerslijst, te weten de richtprijs bij verkoop tussen particulieren, die € 10.000,- bedroeg. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2010:BX3215) is het college in beginsel gerechtigd om uit te gaan van de waarde volgens deze koerslijst.


4.5.2.

Volgens appellante was de auto, gelet op het achterstallig onderhoud in de vorm van lekkage van de kap, versleten banden en defecte velgen en de staat waarin de auto zich bevond, destijds niet meer dan circa € 5.000,- waard. Appellante wijst erop dat het college bij de toekenning van de bijstand met ingang van 21 juli 2013 is uitgegaan van een waarde van € 4.800,-, overeenkomstig een taxatie van garagebedrijf [C.] op 1 augustus 2013.


4.5.3.

De Raad stelt vast dat appellante geen taxatie van de waarde van de auto per

24 januari 2012 heeft laten verrichten. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat op die datum sprake was van achterstallig onderhoud zoals zij heeft gesteld, en dat de auto destijds al in een zodanige staat verkeerde dat de door het garagebedrijf [C.] getaxeerde waarde een afspiegeling vormde van de waarde van de auto circa anderhalf jaar daarvoor. Dat de auto, zoals appellante stelt, door de goudkleurige lak onverkoopbaar was en is, heeft zij ook niet aannemelijk gemaakt. Daarbij wordt aangetekend dat appellante in hoger beroep een aan haar gerichte persoonlijke offerte met betrekking tot de auto heeft ingebracht met een bod van € 6.781,- en een gegarandeerde waardebepaling van € 6.115,-, beide via het internet en beide van 27 juli 2015. Het college heeft ter zitting van de Raad ter verklaring van het feit dat medio 2013 is uitgegaan van een waarde van € 4.800,- opgemerkt dat bij die beoordeling van de waarde van de auto ten onrechte de eerder bedoelde koerslijst niet is geraadpleegd. De conclusie is dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college ten onrechte is uitgegaan van de waarde volgens de ANWB-BOVAG koerslijst.


4.6.

Deze auto kan, reeds gelet op de vastgestelde waarde, niet worden aangemerkt als een bezitting die naar zijn aard en waarde algemeen gebruikelijk is. Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat deze auto voor haar, gelet op haar gezondheidstoestand en de daaruit voortvloeiende reden om met een auto buiten haar woonplaats boodschappen te doen, noodzakelijk is. Een daartoe strekkende medische onderbouwing ontbreekt. Daarom kan de waarde van de auto niet op grond van het bepaalde in artikel 34, tweede lid, aanhef en

onder a, van de WWB geheel buiten aanmerking blijven.


4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat de rechtbank het vermogen van appellante ten tijde hier in geding terecht heeft vastgesteld op € 17.690,29 en dat het college bevoegd was de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 24 januari 2012 tot en met 31 augustus 2012 tot een bedrag van € 6.650,14 van appellante terug te vorderen. De omstandigheid dat appellante de lening van € 8.000,- aan haar dochter [Z.] en de vordering van het college, hier in geding, moet voldoen, kan niet, zoals appellante heeft aangevoerd, worden aangemerkt als een dringende reden op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van de terugvordering voor haar gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de beleidsregels dienen.


Intrekking


4.8.

Het college heeft de intrekking van de bijstand niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in beginsel de periode met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingbesluit. Zoals overwogen in 4.3, heeft het college de bijstand van appellante over periode 1 ten onrechte ingetrokken. Dit betekent dat ten aanzien van de intrekking van de bijstand nog voorligt de periode van 1 september 2012 tot en met 10 december 2012 (periode 2). Aan de intrekking van de bijstand over periode 2 ligt ten grondslag dat appellante in die periode beschikte over een vermogen dat de voor haar toepasselijke grens van vrij te laten vermogen van € 5.685,- te boven ging.


4.9.

Appellante heeft tegen de intrekking van de bijstand over periode 2 geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Voor wat betreft de gestelde schulden aan dochter [X.] van

€ 350,- en aan [Y.] van € 1.500,- wordt verwezen naar 4.5.2 tot en met 4.5.4. Hoewel de waarde van de auto door het verloop van tijd ongetwijfeld zal zijn verminderd, is niet aannemelijk dat door die waardevermindering het vermogen van appellante, ook met aftrek van de wel aannemelijk gemaakte schuld aan dochter [Z.], beneden de in 4.8 genoemde grens was gedaald. Daarbij wordt aangetekend dat de auto volgens de tot de gedingstukken behorende ANWB-BOVAG koerslijst van 16 september 2013 nog een waarde had van

€ 9.300,- bij verkoop tussen particulieren. Het standpunt van het college dat appellante in periode 2 beschikte over een vermogen met een zodanige omvang dat dit in de weg stond aan bijstandsverlening, wordt daarom onderschreven.


4.10.

Gelet op 4.2 wordt de aangevallen uitspraak vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, dat besluit, voor zover daarbij de intrekking van de bijstand over de periode van 24 januari 2012 tot en met 31 augustus 2012 is gehandhaafd, vernietigen en het besluit van 10 december 2012 in zoverre herroepen. Voor een veroordeling tot schadevergoeding bestaat geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellante dient daarom te worden afgewezen.


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 19 februari 2013 voor zover daarbij de intrekking van de bijstand

over de periode van 24 januari 2012 tot en met 31 augustus 2012 is gehandhaafd;

- herroept het besluit van 10 december 2012 in zoverre;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van

19 februari 2013;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 980,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,-

vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) J.L. Meijer




HD