Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 14/3804 IOAW


ECLI:NL:CRVB:2015:3299

Inhoudsindicatie
Afwijzing en terugvordering betaalde voorschot IOAW-uitkering. Schending inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
14/3804 IOAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3804 IOAW

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 juni 2014, 13/3339 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.N. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2015. Voor appellant is mr. Hermans verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Jans-Rakers.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft op 11 april 2013 een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IAOW) ingediend nadat zijn echtgenote, die kostwinner was, de echtelijke woning had verlaten. Daarbij heeft hij als zijn woonadres [adres] te [plaatsnaam] opgegeven (opgegeven woonadres). De afdeling sociale zaken van de gemeente Sittard-Geleen (afdeling) heeft een onderzoek ingesteld naar de woon-, leef- en financiële situatie van appellant, in welk kader twee rapporteurs van de afdeling op 23 mei 2013 een gesprek met appellant hebben gehad. Aansluitend hebben de rapporteurs een huisbezoek op het opgegeven woonadres afgelegd. Appellant heeft verklaard dat de complete inboedel van de echtelijke woning door zijn echtgenote en haar ex-partner tijdens zijn vakantie is weggehaald en dat hij aangifte van diefstal heeft gedaan. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 3 juni 2013.


1.2.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 4 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 oktober 2013 (bestreden besluit) de aanvraag af te wijzen en het betaalde voorschot van € 700,- terug te vorderen. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting onvoldoende informatie heeft verstrekt over zijn woonadres en dat het niet aannemelijk is dat hij woonachtig is op het opgegeven woonadres. Voorts heeft appellant onvoldoende informatie verstrekt over zijn financiële situatie. Als gevolg hiervan kan het college het recht op een IAOW-uitkering niet vaststellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verstrekt over zijn feitelijke woon- en leefsituatie, waardoor het recht op een IAOW-uitkering niet kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft daardoor aan een beoordeling van de financiële situatie van appellant niet hoeven toekomen.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Evenals in bezwaar en beroep betwist appellant dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat hij niet op het opgegeven woonadres zou wonen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen maken de overgelegde processen-verbaal van de aangiftes van appellant wegens diefstal wel melding van de verdwenen inboedel.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 5 maart 2013, de datum waarop appellant zich voor een IOAW-uitkering bij het college heeft gemeld, tot 4 juni 2013.


4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om een

IAOW-uitkering. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.3.

In artikel 11 van de IOAW is bepaald dat het recht op uitkering bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.


4.4.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van een IOAW-uitkering.


4.5.

Ook indien wordt uitgegaan van de verklaring van appellant dat de inboedel van de woning was weggenomen, zoals appellant blijkens het proces-verbaal van aangifte van 2 mei 2013 in combinatie met het proces-verbaal van aangifte van 11 april 2013 ook tegen de politie heeft verklaard dan nog zijn ook in hoger beroep onvoldoende concrete aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat appellant op het opgegeven woonadres woonachtig was. Op appellant rust, zo volgt uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.4, de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij op het opgegeven woonadres woonde. Appellant heeft echter, in weerwil van de door het college in het rapport van 3 juni 2013 opgesomde feiten en omstandigheden en de daaruit op goede gronden getrokken conclusie dat hij niet op het opgegeven woonadres woonde, zijn standpunt dat dit wel zo was ook in hoger beroep niet nader onderbouwd. De woning was bij het huisbezoek vrijwel leeg, het was niet mogelijk een warme maaltijd te bereiden, eten te koelen of thee of koffie te zetten. In de woning stonden geen schoonmaakmiddelen zoals afwasmiddel of allesreiniger en was slechts zeer weinig kleding aanwezig. Het leeghalen van de woning van appellant in februari/maart 2013 vormt onvoldoende verklaring voor de afwezigheid van althans een minimale inventaris ten tijde van het huisbezoek op 23 mei 2013, ook gelet op het feit dat het college op 3 mei 2013 een voorschot van € 700,- aan appellant had toegekend. De stelling van appellant dat geen enkel bewijs voorhanden is of zelfs maar een aanwijzing dat appellant ten tijde van zijn aanvraag niet op het door hem opgegeven adres woonde, is dan ook feitelijk onjuist en ziet bovendien aan het feit voorbij dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat hij op het opgegeven adres woonde. Appellant is daarin ook in hoger beroep niet geslaagd.


4.6.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat geen ruimte voor een veroordeling van het college tot vergoeding van schade. Het verzoek daartoe van appellant wordt afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en M. ter Brugge en

C.G.M. van Rijnberk als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD