Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 14/3496 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3300

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om een activerings- of participatiepremie. Geen sprake van additionele werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a, tweede lid, van de WWB.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
14/3496 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2015/246 met annotatie van H. van Deutekom
  • JWWB 2015/210
  • USZ 2015/357
  • NBJ-Pw/12/025 met annotatie van Vera Staaks LL.B.
Uitspraak

14/3496 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 13 mei 2014, 13/1208 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (NH) (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Bergen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.F. de Graaf, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Djordjevic.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 25 juli 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Met ingang van 20 mei 2010 is appellant vrijwilligerswerk gaan verrichten bij de Stichting Vluchtelingen Werk (Vluchtelingenwerk).


1.3.

In het kader van de toeleiding van appellant naar de arbeidsmarkt is het college met hem een trajectplan overeengekomen met als doel zijn kans op werk te vergroten. In dit plan van

7 april 2011 zijn de volgende activiteiten opgenomen: vrijwilligerswerk Vluchtelingenwerk, training sollicitatievaardigheden, bemiddeling naar werk en cursus Word.


1.4.

Bij schrijven van 24 augustus 2012 heeft appellant een activerings- of participatiepremie aangevraagd.


1.5.

Bij besluit van 12 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 mei 2013 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit, in afwijking van het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat appellant niet in aanmerking komt voor een premie als bedoeld in artikel 10a van de WWB, omdat de werkzaamheden die hij bij Vluchtelingenwerk verricht niet van additionele aard zijn, zoals bedoeld in dit artikel. Appellant heeft een bestaande functie aanvaard in de vorm van vrijwilligerswerk bij Vluchtelingenwerk. Dat is niet een speciaal ten behoeve van re-integratie in het leven geroepen functie en ook geen bestaande functie die appellant alleen met speciale begeleiding kan verrichten.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat bij vrijwilligerswerk per definitie sprake is van additionele werkzaamheden in de zin van artikel 10a, zesde lid, van de WWB omdat vrijwilligerswerk volgens informatie van de rijksoverheid niet in de plaats mag komen van een betaalde baan. Aldus is dan ook geen sprake van verdringing op de arbeidsmarkt. Subsidiair voert hij aan dat hij de functie bij Vluchtelingenwerk alleen met speciale begeleiding kon verrichten en dat daarom sprake is van additionele arbeid. De re-integratieconsulent van appellant heeft Vluchtelingenwerk van tevoren bericht dat appellant nauwelijks werkervaring heeft en in het trajectplan is vermeld dat de begeleiding van het vrijwilligerswerk wordt verzorgd door een medewerker van Vluchtelingenwerk. De begeleiding bij Vluchtelingenwerk was onder meer gericht op het aanbrengen van structuur en regelmaat in de aanwezigheid van appellant en het verrichten van zijn werkzaamheden. Uit het trajectplan blijkt dat de begeleiding werd bewaakt door de re-integratieconsulent.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of appellant vanaf 1 januari 2012 in aanmerking komt voor een premie als bedoeld in artikel 10a, zesde lid, in verbinding met artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de WWB.


4.2.

Op grond van artikel 10a, eerste lid, van de WWB kan het college ter uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB degene die algemene bijstand ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar. Onder additionele werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden op grond van het tweede lid primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden verstaan die onder verantwoordelijkheid van het college in het kader van deze wet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Op grond van het zesde lid verstrekt het college aan belanghebbende, telkens nadat hij gedurende zes maanden op grond van dit artikel additionele werkzaamheden heeft verricht, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de WWB, indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces.


4.3.

Op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de WWB wordt niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend een een- of tweemalige premie van - per 1 januari 2012 - ten hoogste € 2.288,00 per kalenderjaar, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.


4.4.

In de memorie van toelichting bij de ‘Wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen’ om gemeenten meer zekerheid te geven dat mensen met een kleine kans op inschakeling in het arbeidsproces met behoud van uitkering gedurende maximaal 2 jaar onbeloonde additionele werkzaamheden kunnen verrichten, is bij het voorgestelde artikel 10a van de WWB onder meer het volgende vermeld: “Mensen verrichten werkzaamheden in een terugkeerbaan in het perspectief van hun re-integratie. Dat wil zeggen dat de activiteit primair gericht moet zijn op het bevorderen van de mogelijkheden van de betrokkene om uit de bijstand te stromen naar reguliere arbeid en niet primair op het bedrijfsdoel van degene voor wie zij deze werkzaamheden verrichten. Activiteiten kunnen niet het karakter hebben van gewone productieve arbeid. (…) Het gaat zoals gezegd bij terugkeerbanen om additioneel werk. Additionaliteit houdt in dat het een speciaal gecreëerde functie betreft of een reeds bestaande functie die een uitkeringsgerechtigde alleen met speciale begeleiding kan verrichten. (…) Gemeenten kunnen, indien gewenst, in beleidsregels het begrip additionaliteit nader uitwerken. De terugkeerbanen mogen de concurrentieverhoudingen niet nadelig beïnvloeden.(…)” (Kamerstukken II 2005/2006, 30650, nr. 3, blz. 6 en 7).


4.5.

In antwoord op Kamervragen is de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief van 18 augustus 2008 onder meer nader ingegaan op het vereiste dat het om een additionele functie moet gaan. Een functie is volgens hem niet per definitie regulier of additioneel. Het gaat om de wijze waarop activiteiten worden verricht binnen een bepaalde functie. Een functie die binnen een organisatie niet regulier voorkomt, kan met ondersteuning vanuit de organisatie en de gemeente als additioneel worden gecreëerd voor inzet als participatieplaats. Van een functie die binnen een organisatie regulier voorkomt, kan een additionele functie voor inzet als participatieplaats worden gemaakt, mits bovenformatief en alleen met speciale begeleiding te verrichten. Het maakt in dit verband niet uit of de functie al dan niet in een commercieel bedrijf wordt bekleed. Waar feitelijk sprake is van reguliere werkzaamheden, is geen sprake van participatieplaatsen en gelden dus andere regels dan die van artikel 10a van de WWB, aldus de staatssecretaris (Aanhangsel Handelingen II 2007/2008, nr. 3266).


4.6.

Vaststaat dat het college geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om het begrip additonaliteit verder uit te werken in beleidsregels. De rechtbank is dan ook terecht uitgegaan van het toetsingskader zoals vermeld in 4.2 tot en met 4.5.


4.7.

De beroepsgrond van appellant dat bij vrijwilligerswerk altijd sprake is van een additionele functie slaagt niet. Een functie die binnen een organisatie regulier voorkomt is immers, gelet op de memorie van toelichting en gelet op de in 4.5 genoemde brief van de staatssecretaris, geen participatieplaats en daarbij maakt het niet uit of die functie al dan niet in een commercieel bedrijf wordt bekleed. Van een participatieplaats kan bij een functie die binnen een organisatie regulier voorkomt alleen sprake zijn als deze bovenformatief (extra) is en alleen met speciale begeleiding te verrichten.


4.8.

Niet in geschil is dat de functie die appellant bij Vluchtelingenwerk vervulde geen speciaal gecreëerde functie was, maar een reguliere functie. In dit geval kan dus alleen sprake zijn van een participatieplaats als vaststaat dat appellant de functie die hij vervulde alleen met speciale begeleiding kon verrichten. Vaststaat dat de vrijwilligersovereenkomst tussen Vluchtelingenwerk en appellant de standaard vrijwilligersovereenkomst is die Vluchtelingenwerk haar medewerkers aanbiedt. Daarin is voor de vrijwilligers voorzien in “regelmatige, deskundige ondersteuning (…) ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden, in de vorm van individuele en/of groepsgewijze werkbegeleiding/coaching”. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een functie die hij alleen met specifiek op hem gerichte begeleiding kon verrichten. Ook het feit dat in het trajectplan is vastgelegd dat de begeleiding van het vrijwilligerswerk van appellant door Vluchtelingenwerk wordt bewaakt door een medewerker van de gemeente Bergen maakt niet dat het om een dergelijke functie gaat. Deze begeleiding hield immers niet meer in dan het monitoren van de activiteiten van appellant die gericht zijn op re-integratie in het arbeidsproces. Ook de subsidiaire beroepsgrond slaagt dus niet.


4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat appellant vanaf 1 januari 2012 met zijn werkzaamheden bij Vluchtelingenwerk geen additionele werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a, tweede lid, van de WWB verrichte en dus niet in aanmerking kwam voor een premie als bedoeld in het zesde lid van dat artikel.

4.10.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en M. ter Brugge en

C.G.M. van Rijnberk als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. Van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD