Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 14/2746 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3303

Inhoudsindicatie
Appellant heeft terecht naar voren gebracht dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, aan de in de aangevallen uitspraak aangehaalde rechtspraak omtrent de zogenaamde temporele werking van wetgeving (onder meer de uitspraak van 29 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9827) in dit geval geen betekenis toekomt. Uit die rechtspraak komt naar voren dat, wanneer bij verandering van wetgeving geen specifieke voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de aanspraken en verplichtingen van een verzekerde ten materiële dienen te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraken of verplichtingen betrekking hebben. Van een (hernieuwde) materiële beoordeling van aanspraken en verplichtingen is bij de in deze zaak aan de orde zijnde vraag echter geen sprake. Dit hoeft echter niet te leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat de rechtbank op zichzelf bezien wel terecht tot de conclusie is gekomen dat het college bevoegd was het in het dwangsombesluit tevens neergelegde verrekeningsbesluit te nemen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
14/2746 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/345
  • JWWB 2016/81
  • USZ 2015/368 met annotatie van Red.
Uitspraak

14/2746 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

29 april 2014, 13/4409 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft P.C.J. Schut (Schut) hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door Schut. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft op 31 december 2012 een aanvraag ingediend om langdurigheidstoeslag over 2011. Nadat appellant het college in gebreke had gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag, heeft het college op 14 juni 2013 hierop alsnog een beslissing genomen.


1.2.

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft het college bepaald dat appellant recht heeft op een dwangsom tot een bedrag van € 1.260,-. Tevens is daarbij besloten dat dit bedrag op grond van artikel 60a, vierde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) zal worden verrekend met een openstaande vordering op appellant.


1.3.

Bij besluit van 29 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2013, gericht tegen de verrekening van de dwangsom, ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat eerst bij besluit van 11 juli 2013 de verschuldigdheid van de dwangsom is vastgesteld, zodat het college op grond van het vanaf 1 juli 2013 gewijzigde artikel 60a, vierde lid, van de WWB bevoegd was de dwangsom te verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 van de WWB.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besteden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft onder meer aangevoerd dat de rechtbank had moeten onderzoeken per welke datum de schuld waarmee is verrekend is vastgesteld, omdat hij twee schulden bij het college heeft en de datum van de vaststelling van de schuld van belang is voor het antwoord op de vraag of en, zo ja, op welke grondslag het college tot verrekening kan overgaan. De datum waarop de dwangsom is vastgesteld is daarvoor niet van belang. Als subsidiair standpunt heeft hij aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het van geen belang is dat het college voor 1 juli 2013 een dwangsombesluit had moeten nemen. Doordat het college de verschuldigdheid van de dwangsom niet heeft vastgesteld binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was, heeft het college in strijd gehandeld met artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waardoor appellant in een ongunstiger positie is komen te verkeren. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de aangevallen uitspraak een onjuiste motivering bevat, voor zover de rechtbank heeft verwezen naar de rechtspraak van de Raad over de temporele werking van wetgeving.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Bij de Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013) is artikel 60a, vierde lid, van de WWB gewijzigd, waarmee een extra mogelijkheid tot verrekening is gecreëerd. Op grond van die bepaling kan het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 van de WWB. Bij Besluit van

24 juni 2013 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet SZW 2013, Stb. 2013/261, is artikel 60a, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 juli 2013 in werking getreden. Vaststaat dat ten aanzien van deze bepaling niet in overgangsrecht is voorzien. Indien, zoals hier aan de orde, niets is bepaald omtrent de werking van een nieuwe wettelijke regel geldt, zoals aanwijzing 166, eerste lid, van de geldende tekst van de Aanwijzingen voor de Regelgeving (aanwijzingen) vermeldt, de hoofdregel van onmiddellijke ofwel exclusieve werking: een nieuwe regel is niet slechts van toepassing op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen. Daaruit volgt dat het college vanaf 1 juli 2013 ook bevoegd is vorderingen te verrekenen waarvan de verschuldigdheid voor 1 juli 2013 is vastgesteld. In artikel 166, tweede lid, van de aanwijzingen is opgenomen dat indien beoogd wordt af te wijken van het eerste lid, dit uitdrukkelijk wordt bepaald. Daarvan is niet gebleken. Ook overigens wordt in wat door appellant naar voren is gebracht geen aanleiding gezien om van genoemde regel af te wijken. Daarmee is gegeven dat de datum van de vaststelling van de schuld van appellant voor de vraag of het college bevoegd is om tot verrekening over te gaan niet van belang is, zodat deze grond niet slaagt.


4.2.

Appellant heeft terecht naar voren gebracht dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, aan de in de aangevallen uitspraak aangehaalde rechtspraak omtrent de zogenaamde temporele werking van wetgeving (onder meer de uitspraak van 29 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9827) in dit geval geen betekenis toekomt. Uit die rechtspraak komt naar voren dat, wanneer bij verandering van wetgeving geen specifieke voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de aanspraken en verplichtingen van een verzekerde ten materiële dienen te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraken of verplichtingen betrekking hebben. Van een (hernieuwde) materiële beoordeling van aanspraken en verplichtingen is bij de in deze zaak aan de orde zijnde vraag echter geen sprake. Dit hoeft echter niet te leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat de rechtbank op zichzelf bezien wel terecht tot de conclusie is gekomen dat het college bevoegd was het in het dwangsombesluit tevens neergelegde verrekeningsbesluit te nemen.


4.3.

De grond dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 4:18 van de Awb treft geen doel, reeds omdat artikel 4:18 van de Awb slechts ziet op het dwangsombesluit en niet op het verrekeningsbesluit. Het dwangsombesluit ligt in dit geding niet ter beoordeling voor.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) C.M. Fleuren




HD