Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 13/5463 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3305

Inhoudsindicatie
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt dat zij te weinig AIO-aanvulling heeft gekregen evenmin van enige toelichting of onderbouwing voorzien. In het bijzonder heeft appellante ten aanzien van het Belgisch rustpensioen niet aan de hand van concrete stukken aannemelijk gemaakt dat de door de Svb in aanmerking genomen bedragen bij de vaststelling van de AIO-aanvulling onjuist zijn. De beroepsgrond dat de AIO-aanvulling onjuist is berekend, slaagt daarom niet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
13/5463 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5463 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

4 september 2013, 13/3611 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 18 augustus 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving ten tijde hier van belang een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), een Belgisch rustpensioen, een pensioen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) en algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). De Svb heeft bij besluit van 6 september 2012 de AIO-aanvulling geschorst op de grond dat appellante had verzuimd om tijdig het inkomensopgaveformulier ingevuld op te sturen.


1.2.

Appellante heeft het betreffende inkomensopgaveformulier nadien ingevuld en naar de Svb gezonden. Op basis van door haar overgelegde inkomensgegevens heeft de Svb bij besluit van 30 oktober 2012 (besluit 1) vastgesteld dat appellante over de maanden januari en februari 2012 teveel AIO-aanvulling had ontvangen, maar afgezien van herziening van de AIO-aanvulling over die maanden op de grond dat het teveel ontvangen bedrag lager was dan € 25,-.


1.3.

Bij afzonderlijk besluit van 30 oktober 2012 (besluit 2) heeft de Svb de schorsing opgeheven en de betaling van de AIO-aanvulling hervat met ingang van 6 september 2012 en op grond van de beschikbare inkomensgegevens de hoogte ervan herzien en vastgesteld op

€ 33,56 per maand.


1.4.

Bij besluit van 28 maart 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat haar totale inkomen, inclusief de AIO-aanvulling onder de voor haar geldende bijstandsnorm ligt. Voorts heeft zij aangevoerd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Zij heeft ter toelichting gewezen op het feit dat zij op via e-malberichten van 17 februari, 28 maart, 2 april en 3 april 2013 nog contact met de Svb heeft gehad, waarbij zij informatie heeft verstrekt. Nu het bestreden besluit dateert van 28 maart 2013 heeft de Svb met die informatie ten onrechte geen rekening gehouden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het hoger beroep richt zich primair op de vraag of de Svb bij het bestreden besluit de hoogte van de AIO-aanvulling, beoordeeld naar de maanden januari en februari 2012 en de periode van 6 september 2012 (herzieningsdatum) tot en met 30 oktober 2012 (datum van het herzieningsbesluit), op juiste wijze heeft vastgesteld.


4.2.

Niet in geschil is dat de Svb alle bij de berekening van de AIO-aanvulling betrokken inkomenscomponenten terecht heeft gerekend tot de in aanmerking te nemen middelen. De rechtbank heeft over de berekening van die AIO-aanvulling overwogen dat de Svb bij het nemen van het bestreden besluit terecht is uitgegaan van de volgende gegevens. De bijstandsnorm voor een alleenstaande van 65 jaar en ouder was per 1 januari 2012 vastgesteld op € 1.026,35 per maand en per 1 juli 2012 op € 1.026,66 per maand. Het ABP-pensioen van appellante bedroeg ten tijde hier van belang € 41,82 per maand, het Belgisch rustpensioen bedroeg in januari 2012 € 105,54, in februari 2012 € 107,65 en vanaf maart 2012 € 109,80 per maand. Wat tegen het bestreden besluit is aangevoerd heeft de rechtbank niet geleid tot het oordeel dat deze of andere door de Svb gehanteerde bedragen onjuist zijn. Het standpunt dat te weinig AIO-aanvulling is verstrekt is niet van enige toelichting of onderbouwing voorzien, aldus de rechtbank.


4.3.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt dat zij te weinig AIO-aanvulling heeft gekregen evenmin van enige toelichting of onderbouwing voorzien. In het bijzonder heeft appellante ten aanzien van het Belgisch rustpensioen niet aan de hand van concrete stukken aannemelijk gemaakt dat de door de Svb in aanmerking genomen bedragen bij de vaststelling van de AIO-aanvulling onjuist zijn. De beroepsgrond dat de AIO-aanvulling onjuist is berekend, slaagt daarom niet.


4.4.

De beroepsgrond dat de Svb het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid door geen rekening te houden met de door appellante via e-mailberichten van 17 februari,

28 maart, 2 april en 3 april 2013 verstrekte informatie slaagt ook niet. Bij het e-mailbericht van 17 februari 2013 heeft appellante de Svb een betaalspecificatie van haar ABP-pensioen over januari 2013 gezonden en die informatie was voor de beoordeling van besluiten 1 en 2 niet van belang. Voorts is appellante naar aanleiding van de hoorzitting in de bezwaarprocedure tot 25 februari 2013 in de gelegenheid gesteld om nadere informatie met betrekking tot het Belgisch rustpensioen over te leggen. Zij heeft niet kenbaar gemaakt dat deze termijn daartoe te kort was. De Svb heeft daarom op 28 maart 2013 kunnen overgaan tot het nemen van een beslissing op het bezwaar. De omstandigheid dat appellante nadien door middel van genoemde drie e-mailberichten nog informatie heeft verstrekt, doet daaraan niet af.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) J.L. Meijer




HD