Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 14/581 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3306

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
14/581 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/581 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 december 2013, 13/3364 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2015. Voor appellant is verschenen mr. Maduro. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Dinç.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 4 december 2012 gemeld bij het UWV Werkbedrijf voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het daartoe strekkende aanvraagformulier heeft appellant op 2 januari 2013 ondertekend. Het college heeft appellant bij besluit van 3 januari 2013 een voorschot toegekend van € 685,81.


1.2.

Bij brief van 24 januari 2013 heeft het college appellant verzocht nog een aantal gegevens over te leggen, waaronder bewijsstukken waaruit blijkt op welke wijze appellant vanaf

1 oktober 2012 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant heeft stukken overgelegd, waaronder bankafschriften.


1.3.

Bij besluit van 12 februari 2013 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Het college heeft bij afzonderlijk besluit van 12 februari 2013 het aan appellant verstrekte voorschot van € 685,81 teruggevorderd.


1.4.

Bij besluit van 19 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 12 februari 2013 ongegrond verklaard. Aan dit besluit, voor zover van belang, heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft aangetoond op welke wijze hij in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting kan het college het recht op bijstand niet vaststellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 4 december 2012 tot en met 12 februari 2013.


4.2.

Tussen partijen is nog in geschil of appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt op welke wijze hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag om bijstand.


4.3.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient onder meer duidelijkheid te verschaffen over zijn financiële situatie, zo nodig ook voor de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.4.

Appellant heeft gesteld dat hij is geholpen door vrienden en kennissen. Ter zitting is in dit verband nader toegelicht dat appellant van die personen kleine, contante, bedragen ontving en bij hen maaltijden kon nuttigen. Daarnaast blijkt uit de door appellant overgelegde bankafschriften dat hij op 7 november 2012 een bedrag van € 546,- van de Belastingdienst heeft ontvangen.


4.5.

Met de verklaring van appellant is, ook met inachtneming van de storting door de Belastingdienst, onduidelijk gebleven op welke wijze appellant na de beëindiging van zijn werkzaamheden bij [naam bedrijf] in de maanden september en oktober 2012 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. De stelling van appellant dat hij is geholpen door vrienden en kennissen is niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Dat die personen geen schriftelijke verklaring wilden opstellen als gevolg waarvan appellant, naar eigen zeggen, in een overmachtssituatie is geraakt, komt - gelet op het overwogene in 4.3 - voor rekening en risico van appellant.


4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en M. ter Brugge en

C.G.M. van Rijnberk als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD