Centrale Raad van Beroep, 30-09-2015 / 14/69 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:3319

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor "haar" arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-30
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
14/69 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/69 ZW

Datum uitspraak: 30 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 november 2013, 13/5696 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M.T. Wigger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wigger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was laatstelijk als (voorman) schoonmaker werkzaam, toen hij zich vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, per 28 januari 2012 ziek heeft gemeld wegens rugklachten. Naar aanleiding van zijn ziekmelding heeft appellant diverse malen het spreekuur van een arts van het Uwv bezocht. Deze arts heeft overwogen dat appellant met ingang van 8 april 2013 in staat moet worden geacht zijn arbeid te verrichten.


1.2.

Bij besluit van 19 april 2013 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 8 april 2013 in staat wordt geacht zijn arbeid te verrichten en dat zijn Ziektewetuitkering (ZW) met ingang van diezelfde datum wordt beëindigd.


1.3.

Bij besluit van 6 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 april 2013 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 mei 2013 ten grondslag en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 juni 2013. Geconcludeerd is dat appellant in staat is tot het verrichten van zijn arbeid.


2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.


2.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld geen aanknopingspunten te vinden om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de rugklachten van appellant voor onjuist te houden. Over de maatgevende arbeid van appellant heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de belasting van het eigen werk in kaart hebben gebracht en daarmee voldoende op de hoogte waren van de aard en zwaarte van appellants laatst verrichte arbeid als (voorman) schoonmaker. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de artsen bij hun beoordeling de zwaarte van het werk hebben onderschat.


3. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat door de verzekeringsarts ten onrechte en in strijd met de bevindingen van de neuroloog, is aangenomen dat bij hem sprake is van aspecifieke rugklachten in plaats van lumbosacraal radiculair syndroom. Voorts heeft hij aangevoerd dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest en er daarom ook geen juiste beoordeling heeft kunnen plaatsvinden over de vraag of hij in staat moet worden geacht zijn eigen werk als (voorman) schoonmaker te verrichten. Tot slot heeft appellant de Raad verzocht een deskundige te benoemen voor beantwoording van de vraag naar de medische oorzaak van zijn rugklachten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW, is - voor zover hier van belang - bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.


4.2.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellant op de datum in geding. Deze arts heeft appellant gezien tijdens de hoorzitting, dossierstudie en eigen medisch onderzoek verricht en informatie van de behandelend sector bij zijn beoordeling betrokken.


4.3.

Over de rugklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van

31 mei 2013 overwogen dat er bij appellant sprake is van aspecifieke rugklachten, waaraan in beginsel geen ernstige beperkingen te verbinden zijn. Hij heeft voorts het standpunt ingenomen dat er geen bezwaar is tegen incidenteel zwaarder tillen of gebogen werken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat dit standpunt onjuist is.


4.4.

In zijn rapport van 6 juni 2013 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep verslag gedaan van zijn onderzoek naar de functiebelasting in het laatstelijk verrichte werk van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van dat rapport het standpunt ingenomen dat appellant in staat moet worden geacht zijn maatgevende werk van schoonmaker te verrichten. Er is geen reden om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.


4.5.

In zijn aanvullende rapport van 27 februari 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische gegevens, en het standpunt ingenomen dat uit de diverse brieven van de neuroloog geen specifieke oorzaak van de rugklachten blijkt. Hij heeft voorts overwogen dat wanneer de klachten in overwegende mate zouden worden veroorzaakt door een dekplaatinsufficiëntie, dat geen reden zou vormen om anders te oordelen over de belastbaarheid van appellant. Uit de stukken is niet gebleken dat dit standpunt onjuist is. Nu appellant reeds uitgebreid neurologisch is onderzocht, ziet de Raad geen aanleiding om een deskundige te benoemen.


4.6.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en J.J.T. van den Corput en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) P. Uijtdewillegen



NK