Centrale Raad van Beroep, 17-09-2015 / 14/2353 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:3326

Inhoudsindicatie
Plichtsverzuim wordt in hoger beroep niet meer bestreden. De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen reden om hem het plichtsverzuim niet toe te rekenen. Het college was dan ook bevoegd om appellant disciplinair te straffen. Onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade gaat de grenzen van dit geding te buiten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-17
Publicatiedatum
2015-10-06
Zaaknummer
14/2353 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2353 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 maart 2014, 13/4278 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 17 september 2015

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen (Stb. 2013, 76) is het college in de plaats getreden van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van het college, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan het dagelijks bestuur.

Namens appellant heeft mr. G.M. van der Lee, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Lee. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. de Vries.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant werkte sinds 1995 bij het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, laatstelijk als medewerker Beheer en Onderhoud B. In de nacht van 29 op 30 september 2012 heeft hij tijdens zijn dienst als bestuurder van een gemeentelijke veegkiepwagen een voetganger aangereden. Deze voetganger is daarbij gewond geraakt. Appellant is zonder hulp te verlenen doorgereden naar de werf van stadsdeel Centrum en heeft zich daar tot zijn leidinggevende gewend. Kort daarna is de politie verschenen en is appellant meegenomen naar het politiebureau.


1.2.

Nadat het college het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht heeft het college appellant met toepassing van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Nieuwe Rechtspositieregeling van de Gemeente Amsterdam (NRGA) per 1 maart 2013 wegens plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Het college heeft appellant verweten dat hij ten tijde van de aanrijding veel sneller heeft gereden dan was toegestaan en na de aanrijding is doorgereden zonder zich om het slachtoffer te bekommeren en zonder zich bekend te maken.


1.3.

Bij besluit van 26 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 februari 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Uit de in het dossier aanwezige verklaringen van appellant, zijn collega’s en andere getuigen volgt dat appellant met een snelheid van vijftig tot zestig kilometer per uur over de trambaan heeft gereden. Door zo te handelen heeft appellant gelet op de gegeven omstandigheden (de verkeersdrukte, de ligging van de halteplaats, het aanwezige (uitgaans)publiek, het nachtelijke tijdstip, de door verhoogde randen begrensde rijbaan en de tegemoetkomende bus) een ontoelaatbaar risico genomen en zich niet gedragen als een goed ambtenaar. Uit de gedingstukken blijkt verder dat appellant na de aanrijding is doorgereden zonder zich om het slachtoffer te bekommeren en zonder zich bekend te maken. Ook dat is niet wat het college van zijn ambtenaren in een dergelijke situatie mag verwachten. De rechtbank was van oordeel dat het college de voornoemde gedragingen van appellant terecht heeft aangemerkt als plichtsverzuim. Dit oordeel wordt thans in hoger beroep niet meer bestreden.


4.2.

Appellant heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Hij wist niet dat hij op de trambaan niet harder dan 20 kilometer per uur mocht rijden. Bovendien is hij door de aanrijding in paniek geraakt en wist hij niet wat hij moest doen. Hij is zo snel mogelijk doorgereden naar de werf om zijn leidinggevende op de hoogte te stellen en met hem terug te keren naar de plaats van het ongeval. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen reden op grond waarvan het plichtsverzuim niet aan appellant kan worden toegerekend. De omstandigheden op de trambaan - zoals hiervoor in 4.2 genoemd - waren zodanig dat appellant ongeacht de geldende snelheidslimiet zijn snelheid aan deze omstandigheden had moeten aanpassen en in ieder geval niet zo hard had moeten rijden als hij heeft gedaan. Appellant heeft dat nagelaten en dat kan hem worden toegerekend. Dat appellant in paniek was en daarom zou zijn doorgereden, acht de Raad niet aannemelijk. Uit niets blijkt dat appellant onmiddellijk na de aanrijding in een zodanige gemoedstoestand verkeerde dat hij zich niet heeft kunnen realiseren dat hij moest stoppen dan wel dat hij niet heeft kunnen stoppen, terwijl zijn mede-inzittenden hier wel om verzochten.


4.3.

Gelet op het vorenstaande was het college bevoegd om appellant disciplinair te straffen. Anders dan appellant heeft gesteld, is onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Dat appellant een lang dienstverband heeft gehad, tot aan het ongeval altijd schadevrij heeft gereden en er bij hem geen sprake was van opzet weegt niet op tegen de aard en ernst van het plichtsverzuim. Appellant heeft zich door zijn rijgedrag zelf in de situatie gebracht waarin het ongeval heeft kunnen plaatsvinden. Bovendien is appellant na de aanrijding doorgereden, hetgeen ernstig en maatschappelijk onaanvaardbaar is. En dit alles tijdens de uitoefening van de dienst en met gebruikmaking van een voor omstanders als zodanig herkenbaar voertuig van de gemeente.


4.4.

Wat betreft het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade vanwege het herhaaldelijk moeten vragen om psychische ondersteuning alvorens die hem werd verleend en het lange wachten op het (ontslag)besluit, overweegt de Raad dat dit de grenzen van dit geding te buiten gaat. Bij het bestreden besluit is hierover niet beslist.


4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat daarom de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD