Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 14/4420 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3329

Inhoudsindicatie
Maatregel. Niet naar vermogen verkrijgen van arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-06
Zaaknummer
14/4420 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4420 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 juli 2014, 13/3637 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.M.A. Mertens hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is aan de orde gesteld op de zitting van 18 augustus 2015. Partijen zijn met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Het college heeft appellant laatstelijk met ingang van 1 november 2011 bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.


1.2.

Appellant verrichtte vanaf mei 2012 in het kader van een trajectplan gedurende twee en een half uur per dag schoonmaakwerkzaamheden. Naar aanleiding van zijn ziekmelding op

31 mei 2012 gaf de huisarts aan dat appellant mogelijk een burn-out had. Op verzoek van het college heeft een bedrijfsarts van AOB-Compaz B.V. appellant ter beoordeling van zijn medische beperkingen op 18 juni 2012 onderzocht. De bedrijfsarts kwam tot de conclusie dat appellant tijdelijk gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en dat appellant rekening houdend met zijn beperkingen maximaal gedurende vier uur per dag in staat is deel te nemen aan een

re-integratietraject. Op advies van deze bedrijfsarts is appellant op 17 juli 2012 gedurende drie uur per week gestart in een werkervaringsplaats.


1.3.

Tijdens een gesprek met zijn werkcoach in februari 2013 gaf appellant aan nog steeds burn-outklachten te hebben. De werkcoach is met appellant tot overeenstemming gekomen dat appellant, ter verbetering van zijn arbeidsvermogen, bij Top-Care een traject zou volgen. Tijdens de opstartfase van het traject is appellant in april 2013 fysiek en psychisch onderzocht en is de in te zetten behandeling besproken. Top-Care heeft de werkcoach in juni 2013 echter bericht dat appellant geen verdere medewerking verleent aan het traject. Op 18 juni 2013 heeft appellant daarover ten overstaan van zijn werkcoach verklaard dat zijn medische situatie te goed was voor het traject bij Top-Care. Het door Top-Care opgestelde rapport van bevindingen heeft appellant niet willen overleggen.


1.4.

Bij besluit van 2 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel verlaagd met 50% gedurende de maand juni 2013. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende heeft meegewerkt aan een traject bij

Top-Care waardoor hij inschakeling in de arbeid belemmert.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Anders dan het college heeft de rechtbank de gedraging van appellant gekwalificeerd als het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de zin van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Venlo, ten aanzien waarvan het college - eveneens - gehouden is een maatregel van 50% van de bijstandsnorm op te leggen. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen, waarbij voor eiser appellant moet worden gelezen:


“(…) Naar het oordeel van de rechtbank kan de opstelling van eiser wel worden aangemerkt als een gedraging van de tweede categorie, aanhef en onder a, te weten het in de periode voorafgaande aan de bijstandsverlening en/of de periode gedurende de bijstandsverlening niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, waarbij ingevolge artikel 8 van de Maatregelenverordening een maatregel past van 50% verlaging. Immers, door enerzijds aan te geven vanwege burn-out klachten niet (volledig) inzetbaar te zijn voor de arbeidsmarkt en vervolgens een met het oog op een spoedige herstel in gang gezet traject te frustreren om daarna toch te kennen [te geven] niet ziek genoeg te zijn voor een dergelijk traject, heeft eiser belemmeringen opgeworpen om niet aan het arbeidsproces te hoeven deelnemen, waardoor de arbeidsintegratie is gestagneerd. Op grond hiervan kan gesteld worden dat eiser niet alles in het werk heeft gesteld om arbeid te verkrijgen. (…)”.


3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. In essentie bestrijdt appellant de hiervoor in 2 weergegeven overweging op de grond dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de door de rechtbank vastgestelde maatregelwaardige gedraging. Verder heeft appellant nog verzocht om schadevergoeding in verband met de onrechtmatige besluitvorming door het college.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en met de in 2 weergegeven overweging, die tot dat oordeel heeft geleid. Hieraan is nog toe te voegen dat appellant, gelet op zijn onverminderde burn-outklachten, in februari 2013 zelf had ingestemd in het bij

Top-Care te volgen traject en dat dit traject was afgestemd op zijn in juni 2012 vastgestelde medische belemmeringen voor deelname aan het reguliere arbeidsproces. Anders dan appellant stelt is dan ook geenszins gebleken dat het traject bij Top-Care niet aan zijn arbeidsinschakeling had kunnen bijdragen. Van belang daarbij is dat appellant het onder 1.3 genoemde rapport niet heeft willen overleggen. Dat appellant na de startfase van het traject in juni 2013 van mening was dat zijn situatie te goed was voor het traject, ontsloeg hem niet om verdere medewerking aan dit traject te verlenen. De stelling van appellant dat hij vanwege de gezondheidssituatie van zijn echtgenote niet in staat was deel te nemen aan (onderdelen van) het traject heeft hij met geen enkel stuk onderbouwd zodat daaraan geen betekenis kan worden gehecht. Hieruit volgt eveneens dat het standpunt van appellant dat hij alles in het werk heeft gesteld om beter te worden niet wordt gevolgd.


4.2.

De conclusie is dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


4.3.

Gelet op 4.2 bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte. Het verzoek van appellant dient daarom te worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




De griffier is buiten staat te ondertekenen




HD