Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 14/959 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3330

Inhoudsindicatie
Ontbreken van procesbelang: Vaststaat dat de opschorting van het recht op bijstand niet is gevolgd door een intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB en een intrekking op die grond gelet op de maximale duur van de opschorting niet meer mogelijk is. Het college heeft bij het in 1.4 genoemde besluit van 20 maart 2013 de bijstand van appellante alsnog en ook over de periode waarop de opschorting betrekking heeft, ingetrokken Het besluit waarbij het recht op bijstand is opgeschort heeft dan ook voor appellante geen feitelijke betekenis meer indien, en zo volgt uit deze uitspraak, die intrekking in rechte standhoudt. Een voldoende procesbelang zou gelegen kunnen zijn in een in bezwaar ingediend verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar, maar een dergelijk verzoek heeft appellante niet gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat appellante schade heeft geleden als gevolg van de opschorting van het recht op bijstand. Een belang kan tot slot niet worden ontleend aan de door appellante gewenste proceskostenveroordeling, nu van de in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde bevoegdheid door de rechter ook gebruik kan worden gemaakt indien het beroep niet inhoudelijk is behandeld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-06
Zaaknummer
14/959 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2016/124
  • USZ 2015/420 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Uitspraak

14/959 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

9 januari 2014, 13/4423 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2015. Voor appellante is

mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Dinç.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geval van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 24 juli 2000 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Naar aanleiding van een op 15 november 2012 ontvangen anonieme telefonische melding dat appellante in een speciaal hiervoor ingerichte schuur achter haar woning kaartje legt en andere dingen doet in het occulte, waarbij voor een consult € 40,-, voor een douche/bad € 60,- en voor een drankje ongeveer € 75,- in rekening wordt gebracht, hebben sociaal rechercheurs, werkzaam bij de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de sociaal rechercheurs onder meer dossieronderzoek gedaan en op 21 januari 2013 een huisbezoek afgelegd. Tijdens het huisbezoek was in de woning van appellante ook haar meerderjarige kleindochter aanwezig, die verklaarde dat zij sinds augustus 2012 bij appellante inwoonde. Verder hebben de sociaal rechercheurs in de schuur van appellante een door haar ingericht altaar aangetroffen, waarover appellante heeft verklaard dat zij dat voor haar rituelen gebruikte.


1.3.

Bij brief van 21 januari 2013 hebben de sociaal rechercheurs appellante uitgenodigd voor een gesprek op 24 januari 2013. Daarbij is appellante verzocht nader genoemde stukken, waaronder bankafschriften, mee te nemen. Appellante is op 24 januari 2013 verschenen, maar heeft de gevraagde bankafschriften niet overgelegd. Bij brief van 24 januari 2013 hebben de sociaal rechercheurs appellante uitgenodigd voor een gesprek op 29 januari 2013 en haar wederom verzocht nader genoemde stukken, waaronder bankafschriften, te overleggen. Omdat appellante op 29 januari 2013 evenmin de gevraagde stukken heeft overgelegd, heeft het college bij besluit van 31 januari 2013 het recht op bijstand met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB met ingang van 29 januari 2013 opgeschort.


1.4.

De sociaal rechercheurs hebben de bevindingen van het onderzoek neergelegd in een rapport van 19 maart 2013. De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 20 maart 2013 de bijstand van appellante met ingang van

1 december 2012 in te trekken en de over de periode van 1 december 2012 tot en met

31 januari 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.768,12 van appellante terug te vorderen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante werkzaamheden, dan wel op geld waardeerbare activiteiten, heeft verricht die zij niet heeft gemeld aan het college. Appellante heeft geen deugdelijke administratie bijgehouden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


1.5.

Bij afzonderlijk besluit van 20 maart 2013 heeft het college het recht op bijstand van appellante herzien over de periode van 16 september 2012 tot en met 30 november 2012 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 317,50 van appellante teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen melding heeft gedaan van de inwoning van haar kleindochter, ten gevolge waarvan zij een te hoge toeslag heeft ontvangen.


1.6.

Bij besluit van 11 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 31 januari 2013 en 20 maart 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij, samengevat, aangevoerd dat het recht op bijstand ten onrechte is opgeschort omdat haar tijdens het gesprek op 29 januari 2013 de gelegenheid is geboden alsnog stukken te overleggen. Appellante heeft volledig meegewerkt aan het onderzoek en betwist dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zij heeft slechts incidenteel mensen geholpen, die haar daarvoor soms een kleine bijdrage betaalden. De hulp die zij verschafte kan, gelet op het incidentele karakter daarvan en gelet op de geringe bedragen die zij daarvoor ontving, niet als een op geld waardeerbare activiteit worden aangemerkt. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat appellante de Nederlandse taal niet machtig is. Dat haar kleindochter bij haar inwoonde heeft appellante niet gemeld aan het college omdat zij onbekend was met de regelgeving op dit punt. De inwoning van haar kleindochter heeft haar alleen maar geld gekost. Ten slotte heeft appellante een beroep gedaan op dringende redenen om van terugvordering af te zien.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Opschorting


4.1.

De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellante voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van haar hoger beroep voor zover het de opschorting betreft. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 1 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7208) is van voldoende procesbelang slechts sprake indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van het bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.


4.2.

Vaststaat dat de opschorting van het recht op bijstand niet is gevolgd door een intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB en een intrekking op die grond gelet op de maximale duur van de opschorting niet meer mogelijk is. Het college heeft bij het in 1.4 genoemde besluit van 20 maart 2013 de bijstand van appellante alsnog en ook over de periode waarop de opschorting betrekking heeft, ingetrokken Het besluit waarbij het recht op bijstand is opgeschort heeft dan ook voor appellante geen feitelijke betekenis meer indien, en zo volgt uit deze uitspraak, die intrekking in rechte standhoudt. Een voldoende procesbelang zou gelegen kunnen zijn in een in bezwaar ingediend verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar, maar een dergelijk verzoek heeft appellante niet gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat appellante schade heeft geleden als gevolg van de opschorting van het recht op bijstand. Een belang kan tot slot niet worden ontleend aan de door appellante gewenste proceskostenveroordeling, nu van de in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde bevoegdheid door de rechter ook gebruik kan worden gemaakt indien het beroep niet inhoudelijk is behandeld.


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep voor zover het de opschorting betreft niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.


Intrekking


4.4.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 december 2012 tot en met 20 maart 2013.


4.5.

Uit het onderzoek van de sociaal rechercheurs blijkt dat appellante zich in de te beoordelen periode heeft bezig gehouden met het verlenen van spirituele diensten. Tijdens het huisbezoek op 21 januari 2013 is in de schuur achter de woning van appellante een daarvoor ingericht altaar aangetroffen. Over de op dit altaar aangetroffen foto’s heeft appellante verklaard dat op deze foto’s personen staan afgebeeld die zij met haar gave en rituelen heeft geholpen met hun lichamelijke en geestelijke klachten. Op 29 januari 2013 heeft appellante onder meer verklaard dat de door haar verrichte rituelen ook wel aangeduid worden als Santeria en dat zij met haar gave mensen kan genezen. De mensen komen bij haar door middel van mond-tot-mondreclame. Er komen misschien twee à drie mensen per maand, maar zij heeft dit niet bijgehouden. In het verleden deed zij het vaker, maar nu niet meer zo vaak vanwege haar gezondheid. Zij vroeg geen geld voor haar diensten, maar als mensen geld wilden geven, dan accepteerde zij dit. Appellante heeft verklaard dat mensen bedragen variërend van € 10,- tot € 50,- aan haar hebben gegeven. Zij heeft niet bijgehouden hoeveel inkomsten zij heeft ontvangen. De ontvangen bedragen gaf zij uit aan boodschappen. Verder heeft appellante verklaard dat zij jarenlang, ook toen zij voor haar komst naar Nederland op Curaçao woonde, dezelfde diensten heeft verleend. Op Curaçao hield zij een administratie bij van de inkomsten die zij uit deze activiteiten heeft verkregen omdat zij toen voor zichzelf moest zorgen.


4.6.

Het college heeft, gelet op de in 4.5 genoemde onderzoeksbevindingen, terecht geconcludeerd dat sprake is van op geld waardeerbare activiteiten. Anders dan appellante heeft aangevoerd, is er geen aanleiding om aan te nemen dat zij slechts incidenteel haar diensten heeft verleend. Tijdens het huisbezoek op 21 januari 2013 bleek de schuur van appellante voor haar rituelen te zijn ingericht en ook daadwerkelijk te worden gebruikt. Er zijn meerdere foto’s aangetroffen van personen ten behoeve van wie appellante haar rituelen heeft verricht. Dat appellante, zoals zij stelt, niet professioneel bezig was, laat onverlet dat zij voor haar diensten wel een vergoeding had kunnen vragen. Appellante heeft voor haar diensten ook verschillende geldbedragen ontvangen. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de activiteiten van invloed konden zijn op de (omvang van) haar recht op bijstand. Zij had dan ook opgave moeten doen van de door haar verrichte activiteiten en de door haar genoten inkomsten. De omstandigheid dat appellante de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, maakt dat niet anders.


4.7.

Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor intrekking en beëindiging van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de betrokkene recht op bijstand heeft. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij ondanks de schending van de inlichtingenverplichting gedurende de hier de beoordelen periode recht had op volledige, dan wel aanvullende bijstand. De enkele stelling van appellante dat zij slechts marginale bedragen heeft ontvangen, is daarvoor onvoldoende. Een deugdelijke administratie ontbreekt en op grond van de gedingstukken is niet voldoende inzicht te verkrijgen in het geheel van de door appellante verrichte activiteiten en de in verband daarmee ontvangen inkomsten.


Herziening


4.8.

De hier te beoordelen periode loopt van 16 september 2012 tot en met 30 november 2012.


4.9.

Niet in geschil is dat de kleindochter van appellante in de hier te beoordelen periode haar hoofdverblijf had bij appellante en appellante daarom geen recht had op de verhoging van haar bijstandsnorm met een maximale toeslag van 20% van het wettelijk minimumloon. De beroepsgrond van appellante dat haar door onbekendheid met de regelgeving niet duidelijk was dat zij de wijziging van haar woonsituatie moest doorgeven, slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat wijzigingen in haar woonsituatie invloed kunnen hebben op haar recht op bijstand.


Terugvordering


4.10.

Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. In dat verband heeft zij erop gewezen dat zij door de intrekking van de bijstand een periode geen uitkering heeft ontvangen en in een moeilijke financiële situatie verkeerde.


4.11.

Het college hanteert de beleidsregel dat geheel of gedeeltelijk van terugvordering wordt afgezien indien daartoe dringende redenen aanwezig zijn. Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene of zijn gezin zou leiden. Wat appellante heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin. Daarbij is van belang dat financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.


4.12.

Uit 4.1 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep, voor zover het de opschorting betreft, niet-ontvankelijk moet worden verklaard en voor het overige niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd voor zover het de intrekking, herziening en terugvordering betreft.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- verklaart het hoger beroep voor zover het de opschorting betreft niet-ontvankelijk;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.




Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en W.H. Bel en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) R.G. van den Berg




HD