Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 14/3286 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3333

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting? Appellante voert terecht aan dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij het in 4.1 door het college bedoelde verzuim niet tijdig heeft hersteld. Een schending van de inlichtingenverplichting laat zich immers niet herstellen. Ook indien appellante achteraf bevestigt dat zij beschikt over vermogensbestanddelen, maakt dat de vaststelling dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden niet ongedaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-02
Zaaknummer
14/3286 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/355
Uitspraak

14/3286 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

29 april 2014, 13/4737 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Kok, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M. Rotgans, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.C.F. de Vos.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 15 augustus 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), aanvankelijk naar de norm voor gehuwden en sinds 6 december 2011- in verband met detentie van haar partner - naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Het bureau Fraudebestrijding van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Haarlem heeft op 3 januari 2012 informatie ontvangen van de politie

Amsterdam-Amstelland dat appellante en haar partner zouden beschikken over diverse, bij het college onbekende, vermogensbestanddelen.


1.3.

Bij besluit van 22 mei 2012 heeft het college het recht op bijstand van appellante per direct opgeschort, haar uitgenodigd voor een gesprek op 26 mei 2012 en haar verzocht bewijsstukken mee te nemen van onroerend goed in Turkije, van in Turkije gebruikte bankrekeningen en van contante stortingen die hebben plaatsgevonden op bankrekeningen in Turkije. Appellante is niet op het gesprek verschenen en heeft de haar verzochte bewijsstukken niet overgelegd.


1.4.

Bij besluit van 30 mei 2012 heeft het college, onder verwijzing naar artikel 54, vierde lid, van de WWB, de bijstand van appellante met ingang van 22 mei 2012 ingetrokken omdat appellante de inlichtingenverplichting niet is nagekomen en het verdere recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


1.5.

Het college heeft het tegen het besluit van 30 mei 2012 gerichte bezwaar bij besluit van 10 oktober 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante en haar partner onroerend goed in Turkije hebben, gebruikmaken van bankrekeningen in Turkije en kasstortingen hebben gedaan op bankrekeningen in Turkije. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door dit niet te melden. Om die reden heeft het college de bijstand opgeschort. Omdat appellante niet op gesprek is verschenen en nog altijd geen enkele mededeling heeft gedaan met betrekking tot het onroerend goed, de bankrekeningen en de kasstortingen, heeft appellante niet voldaan aan de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de WWB. Gelet daarop is voldaan aan de voorwaarden van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het hoger beroep komt er in de kern op neer dat appellante geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij het verzuim niet heeft hersteld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ter zitting van de Raad is met partijen gesproken over de grondslag van het bestreden besluit. Het college heeft daarbij het standpunt ingenomen dat de grondslag van het bestreden besluit artikel 54, vierde lid, van de WWB is. Het verzuim dat appellante had moeten herstellen, betreft volgens het college de schending van de op haar rustende inlichtingenverplichting. Appellante had melding moeten maken van de in 1.5 bedoelde vermogensbestanddelen.


4.2.

Appellante voert terecht aan dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij het in 4.1 door het college bedoelde verzuim niet tijdig heeft hersteld. Een schending van de inlichtingenverplichting laat zich immers niet herstellen. Ook indien appellante achteraf bevestigt dat zij beschikt over vermogensbestanddelen, maakt dat de vaststelling dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden niet ongedaan.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet, in aansluiting op het verhandelde ter zitting, tevens aanleiding het besluit van 30 mei 2012 te herroepen.


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de door appellante in verband met deze procedure gemaakte kosten, begroot op € 2.940,-.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 oktober 2013;

- herroept het besluit van 30 mei 2012;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.940,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 208,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en W.H. Bel en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) R.G. van den Berg




HD