Centrale Raad van Beroep, 23-09-2015 / 14/425 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:3364

Inhoudsindicatie
WW-uitkering bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd. Appellante heeft ontslag genomen zonder enige poging te doen om de ondervonden problemen te bespreken en tot een oplossing te brengen. Dat zij in een situatie verkeerde waarin voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van haar verlangd kon worden is niet gebleken. Appellante is verwijtbaar werkloos.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-23
Publicatiedatum
2015-10-06
Zaaknummer
14/425 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/425 WW

Datum uitspraak: 23 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 januari 2014, 13/3647 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2015. Voor appellante, die was opgeroepen om ter zitting te verschijnen, is mr. Gulickx verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 12 augustus 2015. Appellante, opgeroepen om in persoon te verschijnen, en mr. Gulick zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs.Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als medewerkster callcentrum bij [woonplaats] (werkgeefster). Zij heeft zich op 9 november 2010 ziek gemeld met psychische klachten. In januari 2011 is zij gaan re-integreren. Op 13 juli 2011 heeft appellante haar werkgeefster verzocht om ontslag met inachtneming van de opzegtermijn, welk verzoek is ingewilligd.


1.2.

Appellante heeft op 15 februari 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 27 februari 2013 heeft het Uwv die uitkering met ingang van 6 november 2012 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd. Dit besluit is gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 24 juni 2013 (bestreden besluit). Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat appellante ontslag heeft genomen zonder dat daarvoor een acute noodzaak aanwezig was en zonder dat zij in een situatie verkeerde waarin zij de gevolgen van haar handelen niet kon overzien, dan wel het voortduren van het dienstverband tijdens ziekte zou hebben geleid tot verdere schade aan haar gezondheid.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kon niet worden gezegd dat van appellante voortzetting van de dienstbetrekking niet kon worden gevergd. Van het ontbreken van verwijtbaarheid, noch van verminderde verwijtbaarheid was naar het oordeel van de rechtbank sprake.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep evenals bij de rechtbank naar voren gebracht dat zij bij haar re-integratie niet is begeleid door de bedrijfsarts, dat zij, anders dan door de bedrijfsarts was geadviseerd, geen aangepaste werkzaamheden heeft gekregen en dat zij door de druk die zij ervoer van de kant van de werkgeefster al na korte tijd weer voltijds werkte, wat heeft geleid tot een verdubbeling van de antidepressiva. Om aan de druk van de werkgeefster te ontkomen heeft zij ontslag genomen. Appellante heeft onder verwijzing naar een brief van haar huisarts van 15 december 2011, waarin is gesteld dat de ontslagname een ondoordachte impulsieve daad is geweest, betoogd dat de ontslagname haar niet kan worden verweten.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 3 van de aangevallen uitspraak.


4.2.

Appellante heeft ter zitting de in 3.1 weergegeven problemen die zij ondervond toen zij ging re-integreren na haar ziekteperiode nader uiteengezet. Uit die uiteenzetting blijkt dat appellante geen actie heeft ondernomen om die problemen te bespreken met haar leidinggevende en dat zij evenmin de bedrijfsarts heeft benaderd toen zij geen aangepast werk kreeg en het gevoel had onder druk te staan om zo snel mogelijk weer voltijds te werken. Uit angst voor het verlies van haar baan heeft appellante zich niet opnieuw ziek gemeld, wat wel mogelijk was. Appellante heeft dus ontslag genomen zonder enige poging te doen om de ondervonden problemen te bespreken en tot een oplossing te brengen. Dat zij in een situatie verkeerde waarin voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van haar verlangd kon worden is dan ook niet gebleken. Hieruit volgt dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden. Dat appellante de gevolgen van haar ontslagname niet heeft kunnen overzien volgt niet uit de verklaring van haar huisarts en ook niet uit het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van

20 januari 2012. In de gegeven omstandigheden kan daarom niet worden gezegd dat appellante geen of niet in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt van het niet nakomen van haar verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen.


4.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) P. Uijtdewillegen




AP