Centrale Raad van Beroep, 10-02-2015 / 13-3607 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:337

Inhoudsindicatie
Toekenning bijstand. Maatregel, bestaande uit een verlaging van de bijstand met 100% gedurende een maand, omdat appellante onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft getoond nu zij haar woning in Turkije met een waarde van € 50.000,- heeft verkocht voor een bedrag van € 10.500,- en omdat zij heeft afgezien van haar deel in het huwelijksvermogen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-10
Publicatiedatum
2015-02-11
Zaaknummer
13-3607 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3607 WWB

Datum uitspraak: 10 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 mei 2013, 13/395 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft op 1 oktober 2012 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 5 oktober 2012 heeft het college die aanvraag afgewezen.


1.2.

Bij besluit van 11 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 oktober 2012 gegrond verklaard en dat besluit ingetrokken. Het college heeft appellante met ingang van 1 oktober 2012 recht op bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande, met een toeslag van 20%. Tevens heeft het college appellante met ingang van die datum een maatregel opgelegd, bestaande uit een verlaging van de bijstand met 100% gedurende een maand, op de grond dat appellante onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft getoond nu zij haar woning in Turkije met een waarde van € 50.000,- heeft verkocht voor een bedrag van € 10.500,- en omdat zij heeft afgezien van haar deel in het huwelijksvermogen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij haar woning goedkoper heeft verkocht omdat zij in geldnood zat en daardoor gedwongen was tot een snelle verkoop. Dit ging gepaard met een lager verkoopbedrag. Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij heeft afgezien van haar deel in het huwelijksvermogen, omdat haar

ex-echtgenoot niet akkoord zou gaan met de echtscheiding. Verder is aangevoerd dat zij niet beschikt over middelen om een claim op haar deel in het huwelijksvermogen in rechte af te dwingen. Omdat die echtscheiding op 27 augustus 2012 is uitgesproken is appellante voorts van mening dat zij eigenlijk al vanaf 27 augustus 2012 recht heeft op bijstand.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, van de WWB indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid.


4.3.

Met toepassing van de artikelen 7 en 11 van de Maatregelverordening Inkomensvoorzieningen van de gemeente Amsterdam heeft het college in het geval van appellante de verlaging van de uitkering bepaald op 100% voor de duur van een maand.


4.4.

De door appellante aangevoerde gronden slagen niet. Appellante heeft ook in hoger beroep niet met objectiveerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij gedwongen was haar woning in Turkije voor een te laag bedrag te verkopen en akkoord te gaan met de voorwaarden die haar ex-echtgenoot zou hebben gesteld met betrekking tot de echtscheiding. Bovendien heeft zij hierover wisselend verklaard. Ter zitting van de Raad heeft appellante bijvoorbeeld verklaard dat zij niets meer met haar echtgenoot te maken wilde hebben en ook niets meer van hem wilde hebben. Nu de ex-echtgenoot van appellante in Turkije beschikte over drie appartementen, die waren getaxeerd op een waarde van € 75.000,-, heeft appellante afstand gedaan van een aanzienlijk vermogen. Gelet hierop heeft het college terecht bepaald dat appellante in dit verband een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan.


4.5.

In wat appellante heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het college in de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellante aanleiding had moeten vinden om van het opleggen van een maatregel af te zien dan wel de verlaging van de bijstand te matigen.


4.6.

Ten slotte wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat de echtscheiding op

27 augustus 2012 geen bijzondere omstandigheid is voor het verlenen van bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden. Appellante heeft niet toegelicht waarom de echtscheiding haar heeft belet om eerder dan op 1 oktober 2012 bijstand aan te vragen en niet aannemelijk gemaakt dat zij daartoe voorafgaande aan die datum niet in staat was.


4.7.

De aangevallen uitspraak dient dan ook bevestigd te worden.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

10 februari 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD