Centrale Raad van Beroep, 06-10-2015 / 14/3457 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3371

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Gezamenlijk woonverblijf en wederzijdse zorg.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-06
Publicatiedatum
2015-10-12
Zaaknummer
14/3457 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3457 WWB, 15/5468 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

9 mei 2014, 12/3042 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellanten] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2015. Namens appellante is mr. U. Ögüt, kantoorgenote van mr. Kaya, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M. Niessen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving vanaf 20 maart 1989 bijstand, ten tijde van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Naar aanleiding van ontvangen informatie van de politie Brabant Zuid-Oost dat appellante zou samenwonen, heeft een onderzoek plaatsgevonden door een sociaal rechercheur van het Team Integrale Ondersteuning Regio Helmond (sociaal rechercheur) naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn gegevens in externe bestanden geraadpleegd, hebben waarnemingen plaatsgevonden en is een huisbezoek afgelegd. Verder zijn twee getuigen gehoord, is appellante verhoord en [L.] (L) gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport dat is afgesloten op 4 november 2011.


1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 1 december 2011 de bijstand van appellante over de periode van 19 oktober 2009 tot en met 18 oktober 2011 ingetrokken en met ingang van 19 oktober 2011 beëindigd (lees: ingetrokken).


1.4.

Bij besluit van 14 maart 2012 heeft het college de over de periode van 19 oktober 2009 tot en met 18 oktober 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 28.637,97 van appellante teruggevorderd.


1.5.

Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante over de periode van 19 oktober 2009 tot en met 18 oktober 2011 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, die zij niet aan het college heeft gemeld, zodat zij ten onrechte bijstand als alleenstaande heeft ontvangen.


1.6.

Bij besluit van 16 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover thans nog van belang, het bezwaar tegen de besluiten van 1 december 2011 en 14 maart 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op de intrekking van bijstand over de periode van

19 oktober 2009 tot en met 18 oktober 2011 en op de terugvordering van de in die periode ten onrechte ontvangen bijstand en het bestreden besluit voor het overige in stand gelaten. De rechtbank heeft bepaald dat de bijstand over de periode van 19 april 2010 tot en met

18 oktober 2011 wordt ingetrokken en dat het college een nieuw besluit moet nemen over de hoogte van het terug te vorderen bedrag over die periode. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat, gelet op met name de verklaringen van appellante en L, de onderzoeksresultaten voldoende grond opleveren voor de conclusie dat appellante en L sinds 19 april 2010 hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat sprake was van wederzijdse zorg, zodat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante en L een gezamenlijke huishouding voerden. Van hoofdverblijf met ingang van 19 oktober 2009 van L bij appellante is op grond van de onderzoeksresultaten niet gebleken.


2.1.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 14 juli 2014 (nader besluit) het brutobedrag van de terugvordering van de bijstand verlaagd naar

€ 20.673,08.


3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij het deels niet eens is met de aangevallen uitspraak, namelijk met het oordeel van de rechtbank dat de bijstand over de periode van 19 april 2010 tot en met 18 oktober 2011 dient te worden ingetrokken en dat de kosten van bijstand over die periode van appellante kunnen worden teruggevorderd. Ook over die periode had zij recht op bijstand. Appellante acht onvoldoende grond aanwezig om hoofdverblijf in dezelfde woning aan te nemen, waarbij ook niet is gezegd op welk adres dat dan was. Ook het delen van kosten dan wel het verzorgen is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Er was wel een relatie, maar geen structurele samenwoning. Met de culturele aspecten is onvoldoende rekening gehouden. L was wel vaak op het kamp, maar was daar ook bij anderen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad zal het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nadere besluit met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht bij de beoordeling in hoger beroep betrekken.


De aangevallen uitspraak


4.2.

Tussen partijen is in geschil of voldoende grond bestaat de bijstand van appellante over de periode van 19 oktober 2009 tot en met 18 oktober 2011 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van haar terug te vorderen. Appellante erkent dat zij in deze periode een relatie heeft gehad met L, maar zij bestrijdt dat aan de criteria voor het voeren van een gezamenlijke huishouding is voldaan.


4.3.

De onderzoeksbevindingen van de sociale rechercheur bieden voldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante en L gedurende de gehele in geding zijnde periode hun hoofdverblijf feitelijk hebben gehad in de woning van appellante. Daarvoor wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaringen van appellante en L. Uit de verklaring die appellante op 19 oktober 2011 heeft afgelegd blijkt dat L zo’n anderhalf jaar geleden voor het eerst bij haar bleef slapen. Hij was wel drie keer per week ’s nachts bij haar. De andere dagen was hij dagelijks bij haar, overdag of ’s avonds. Appellante heeft dit later in haar verklaring herhaald. L heeft op 20 oktober 2011 ook verklaard dat hij sinds één of anderhalf jaar bij appellante blijft slapen. De ene week twee keer, soms ook wel drie keer per week. Dat L, zoals hij heeft verklaard, ook wel eens sliep bij twee met name genoemde broers van appellante, was, gelet op de verklaring van broer [J.], maar incidenteel. Deze broer heeft een verklaring afgelegd die inhoudt dat L zowel overdag als ’s avonds bij appellante was en dat L hooguit één keer per maand bij hem sliep. De inhoud van de verklaringen van appellante en L wordt ondersteund door de verklaring van de hoofdbewoonster van het adres waar L in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans: basisregistratie personen) stond ingeschreven. Zij heeft verklaard dat L dit adres al een paar jaar als postadres gebruikte, dat L daar geen eigen kamer had, niet in de woning verbleef en daar geen spullen had. L heeft volgens deze hoofdbewoonster aan haar en haar man verteld dat hij bij appellante verbleef. L heeft zelf ook verklaard dat hij gedurende de afgelopen één tot anderhalf jaar dat hij op dat adres ingeschreven stond, daar maar twee keer heeft geslapen. Het adres waar L stond ingeschreven was dan ook in de periode in geding niet het adres waar hij feitelijk woonde of zijn verblijf had.


4.4.

Het betoog dat niet kenbaar zou zijn van welk adres het college uitgaat voor het gezamenlijk hoofdverblijf, wordt verworpen. Het college heeft aan de besluitvorming het onderzoek van de sociaal rechercheur ten grondslag gelegd, waarin de verklaringen van appellante en L zijn opgenomen die ook als bijlagen zijn bijgevoegd. Uit die verklaringen, zoals hiervoor ook weergegeven, blijkt dat het gaat om verblijf van L in de woning van appellante.


4.5.

Met de stelling van appellante dat haar woorden in haar nadeel zijn uitgelegd en vastgelegd en dat zij haar verklaring niet heeft kunnen lezen en corrigeren, beoogt appellante kennelijk te bereiken dat aan deze verklaring geen betekenis wordt toegekend. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. De verklaring is neergelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport van verhoor. Appellante heeft het rapport per pagina ondertekend zonder voorbehoud. Met deze ondertekening heeft zij zich akkoord verklaard met de schriftelijke weergave van het met haar gevoerde gesprek. Zij heeft ook niet binnen korte tijd daarna bij het college bezwaar gemaakt tegen de weergave van haar verklaring. Ter zitting bij de rechtbank op 27 november 2013 heeft zij nogmaals verklaard dat het klopt dat L dagelijks bij haar was en gemiddeld drie nachten per week bij haar sliep. Bovendien stemt de door L afgelegde verklaring grotendeels overeen met wat appellante heeft verklaard. Daarom bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de inhoud van de door haar afgelegde verklaring.


4.6.

Aan de door appellante overgelegde negen getuigenverklaringen wordt niet de waarde toegekend die appellante daaraan hecht. Het gaat hier om deels ongedateerde verklaringen van onder meer haar dochter, haar ex-schoonzoon en medekampbewoners. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat getuige [G.] niet uit eigen wetenschap heeft kunnen verklaren over de woonsituatie van appellante in de periode vóór december 2012. Met deze getuigenverklaringen kunnen de in 4.3 weergegeven verklaringen die zijn afgelegd ten overstaan van de sociaal rechercheur en zijn neergelegd in een op ambtsbelofte opgesteld rapport niet terzijde worden gesteld.


4.7.

De beroepsgrond dat onvoldoende rekening is gehouden met de culturele aspecten, wordt verworpen. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.


4.8.

Appellante heeft ook betwist dat ten tijde in geding sprake is geweest van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien.


4.9.

Anders dan appellante meent, bieden de gedingstukken eveneens een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat in de periode in geding sprake was van wederzijdse zorg tussen appellante en L. Ook hierbij komt doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen die appellante en L hebben afgelegd ten overstaan van de sociaal rechercheur. Appellante heeft verklaard dat L haar, omdat zij zelf niet over een auto beschikte, hielp met het doen van boodschappen, dat L een latere aankoop van een auto voor haar heeft geregeld en de auto op zijn naam heeft gezet, omdat appellante in de schuldsanering zit. Als L bij haar is, kan hij gebruik maken van haar huis en kan hij drank uit de koelkast pakken. L heeft in gelijke zin verklaard. Hij gebruikte zijn auto om appellante te vervoeren, hij is kind aan huis bij haar en als hij iets nodig heeft, pakt hij dat. Hij heeft nooit betaald voor het eten dat hij bij haar krijgt. Hieruit blijkt dat sprake is van zorg over en weer.


4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


Het nadere besluit


5. Nu bij het nadere besluit de overwegingen van de aangevallen uitspraak in acht zijn genomen en tegen dit besluit geen inhoudelijke beroepsgronden zijn aangevoerd, behoeft dit besluit verder geen bespreking. Het beroep tegen dit besluit zal dan ook ongegrond worden verklaard.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspaak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 juli 2014 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en Y.J. Klik en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) W. de Braal



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.




HD