Centrale Raad van Beroep, 06-10-2015 / 14/5355 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3379

Inhoudsindicatie
Verplichte intrekking bijstand, omdat appellant de inlichtingenverplichting met betrekking tot het feitelijk woonadres niet is nagekomen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-06
Publicatiedatum
2015-10-12
Zaaknummer
14/5355 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/357
  • JB 2015/208
Uitspraak

14/5355 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) van 14 augustus 2014, 14/3916 en 14/4356 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.M. Karsten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Karsten. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving vanaf 10 mei 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% van het minimumloon. Hij woonde in bij zijn vader op het [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres) en stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans Basisregistratie Personen (BPR) tot 21 maart 2014 op dat adres ingeschreven. Op 11 maart 2014 heeft de Reclassering namens appellant de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) telefonisch medegedeeld dat de vader appellant van genoemd adres wilde uitschrijven en in verband daarmee verzocht om appellant voor drie maanden een postadres te verstrekken. De DWI heeft appellant bij brief van 19 maart 2014 uitgenodigd voor een gesprek over dat verzoek op 27 maart 2014. Op 25 maart 2014 heeft de DWI vastgesteld dat appellant in de BPR vanaf 21 maart 2014 stond ingeschreven op het [adres] te [X.] (Suriname), het adres van zijn moeder. Op de uitnodiging van 19 maart 2014 heeft appellant niet gereageerd.


1.2.

Bij besluit van 25 maart 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 21 maart 2014 ingetrokken op de grond dat appellant niet in Nederland woont.


1.3.

Bij besluit van 25 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2014 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen duidelijkheid te geven over zijn feitelijke woon- en verblijfplaats en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep samengevat het volgende aangevoerd. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op twee in beroep aangevoerde gronden. Dit betreft in de eerste plaats de grond dat, nu het college zelf heeft erkend dat het besluit van 25 maart 2014 niet juist was, het dictum van de beslissing op bezwaar niet juist is en dat dus een bezwaarkostenvergoeding had moeten worden toegekend. De tweede grond waarop de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan, is dat het recht op uitkering niet eerst is opgeschort en geen hersteltermijn is geboden, alvorens tot intrekking over te gaan, en dat het daarom onzorgvuldig is geweest om bij het besluit van 25 maart 2014 de bijstand van appellant in te trekken. Het is voldoende duidelijk waar appellant ten tijde van belang verbleef. Daarnaast heeft appellant tijdens de behandeling van zijn aanvraag van 30 april 2014 informatie verstrekt over zijn woonsituatie. Het college heeft, gelet op het lage intelligentieniveau van appellant en diens moeilijke thuissituatie, geen juist gebruik gemaakt van zijn wettelijke intrekkingsbevoegdheid.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op twee beroepsgronden en heeft aldus gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van de volgende overwegingen is de Raad van oordeel dat indien de rechtbank deze beroepsgronden wel zou hebben besproken, dit niet tot gegrondverklaring van het beroep had geleid.


4.1.1.

De in beroep aangevoerde beroepsgrond dat het college het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2014 gegrond had moeten verklaren en een bezwaarkostenvergoeding had moeten toekennen, slaagt niet. Immers, volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

9 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6898) staat artikel 7:11 van de Awb niet in de weg aan handhaving in bezwaar van een primair besluit op een andere grond dan die waarop dat primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging.


4.1.2.

De in beroep aangevoerde grond dat, kort gezegd, het college eerst het recht op bijstand van appellant had moeten opschorten en hem een hersteltermijn had moeten bieden alvorens de bijstand in te trekken, slaagt niet. Gelet op de inschrijving op het adres van zijn moeder in Suriname, mocht het college er op dat moment van uitgaan dat appellant verbleef in Suriname en om die reden, gelet op artikel 11, eerste lid, van de WWB, geen recht op bijstand had. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat het college het recht op bijstand eerst had moeten opschorten, alvorens tot intrekking over te gaan.


4.2.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 21 maart 2014 tot en met 25 maart 2014, de datum van het intrekkingsbesluit.


4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.


4.4.

Vaststaat dat appellant op 11 maart 2014 heeft doorgegeven dat zijn vader hem wilde uitschrijven van het uitkeringsadres. Appellant heeft echter niet aan het college gemeld dat en per wanneer hij feitelijk van dat adres is vertrokken. Wel heeft hij zich per 21 maart 2014 ingeschreven op het adres van zijn moeder in Suriname. Dit was echter niet het adres waar hij per die datum feitelijk verbleef. De stelling van appellant dat de Reclassering namens hem aan de DWI heeft doorgegeven dat appellant nog wel steeds op diverse andere adressen in Amsterdam verbleef, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt, nog daargelaten dat appellant zelf het college tijdig op de hoogte had moeten stellen van zijn feitelijke verblijfplaats.


4.5.

Uit 4.4 volgt dat appellant geen juiste informatie over zijn feitelijk woonadres heeft verstrekt. Daarmee is gegeven dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.


4.6.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant is hierin niet geslaagd. Hij heeft geen concrete en verifieerbare gegevens over zijn feitelijk woonadres en/of zijn feitelijke verblijfplaats verstrekt. De enkele, niet onderbouwde stelling dat appellant in de te beoordelen periode afwisselend verbleef bij familie en vrienden is onvoldoende, nog daargelaten dat appellant ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat hij is gaan zwerven op straat. De conclusie moet dan ook zijn dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld.


4.7.

Vanaf 1 juli 2013 is het bijstandverlenend orgaan gehouden een besluit tot toekenning van bijstand te herzien, dan wel in te trekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Gelet op 4.6 was het college aldus gehouden de bijstand van appellant met ingang van 21 maart 2014 in te trekken en bestond voor het college geen ruimte, zoals appellant voorstaat, om gelet op bijzondere omstandigheden - intelligentieniveau, moeilijke thuissituatie - geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.


4.8.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, gelet op 4.1 met verbetering van gronden.


5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 980,-.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) J.L. Meijer