Centrale Raad van Beroep, 25-09-2015 / 14/5708 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3380

Inhoudsindicatie
Er is geen aanleiding om te oordelen dat de belastbaarheid van appellante op de in geding zijnde data, 9 mei 2011 en 9 september 2011, zou verschillen. Het oordeel van de rechtbank dat aan de bestreden besluiten een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt is juist. De overgelegde medische expertises leiden niet tot een ander oordeel. De arbeidsdeskundige b&b heeft wel een onderscheid gemaakt tussen de beide in geding zijnde data, dit heeft echter geen consequenties gehad voor de mate van aoh. Het maatmaninkomen is juist vastgesteld. Wel aanleiding toekennen pkv.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-25
Publicatiedatum
2015-10-08
Zaaknummer
14/5708 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5708 WIA

Datum uitspraak: 25 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

3 september 2014, 12/955 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.R. Beukema hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015. Appellante is na bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is werkzaam geweest als medewerkster tankstation voor 27 uur per week en daarnaast als horecamedewerkster voor vier uur per week. Zij heeft zich met ingang van 11 mei 2009 ziek gemeld na een motorongeval op 9 mei 2009, waarbij zij diverse rugwervels brak en een dwarslaesie opliep. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante op 23 augustus 2011 onderzocht. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er bij appellante sprake was van forse beperkingen ten aanzien van rugbelasting. Voorts heeft zij moeite met lopen en een verminderd evenwicht. Ze heeft pijnklachten en spierspasmen in de benen. Omdat appellante is aangewezen op bedrust om het werk te kunnen volhouden heeft de verzekeringsarts een urenbeperking tot vier uur per dag aangenomen. Ten slotte is sprake van een lichte beperking ten aanzien van het persoonlijk functioneren. Arbeidskundig onderzoek heeft vervolgens uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden vastgesteld op 44%. Op grond van deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 16 september 2011 vastgesteld dat appellante met ingang van 9 mei 2011 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering en met ingang van 9 september 2011 op een vervolguitkering op grond van de Wet WIA.


1.2.

Appellante heeft tegen het besluit van 16 september 2011 bezwaar gemaakt en daartoe aangevoerd dat voor haar een hogere urenbeperking tot een werkweek van 4 x 4 uur zou moeten gelden met in het midden van de week een rustdag. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante onderzocht. Op basis van dit onderzoek en de in het dossier aanwezige medische gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 19 december 2011 gerapporteerd dat de pijn die appellante ervaart niet objectief in de door haar gepresenteerde omvang is te duiden. Mogelijk is er sprake van een somatoforme inkleuring, mede ten gevolge van een proces van acceptatie van de gevolgen van het ongeluk. Er is geen sprake van problematiek waarvan de energetische repercussies zich zullen opbouwen (in een situatie van passende arbeid conform de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML)) en als zodanig ziet de verzekeringsarts geen dringende, laat staan dwingende indicatie voor een rustmoment wat betreft de arbeid midweeks. Behoudens een correctie op het aspect hurken, die geen gevolgen heeft voor de belastbaarheid, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden gezien aan de primaire medische beoordeling te twijfelen. De mogelijkheden en beperkingen van appellante zijn vastgelegd in een FML van 13 februari 2012.


1.3.

Op basis van deze FML heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv een vijftal nieuwe functies geselecteerd. Gelet op het inkomen dat appellante met deze functies zou kunnen verdienen, afgezet tegen het op € 9,25 maatmanloon vastgestelde maatmanloon, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, zowel per einde wachttijd (9 mei 2011) als met ingang van de datum waarop appellante de vervolguitkering is toegekend (9 september 2011) 41,55% bedraagt.


1.4.

Gelet op deze bevindingen van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 14 maart 2012 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.


2.1.

In beroep heeft appellante expertiserapporten overgelegd van neuroloog A.W.F. Rutgers en medisch adviseur dr. M. Heeg van Orthopaedic Consultancy B.V. Volgens appellante bieden deze rapporten steun voor haar stelling dat haar pijn- en vermoeidheidsklachten, alsmede haar cognitieve problematiek, consistent voortkomen uit het ongeval. Appellante heeft herhaald dat haar arbeidsduur moet worden beperkt tot 4 uur per dag en midweeks een dag rust. Voorts claimt zij beperkt te zijn voor concentreren en herinneren. In verband met incontinentieproblematiek acht zij seriematig productiewerk bezwaarlijk. Gelet op de voor haar aangenomen beperking voor langer dan een half uur aaneengesloten zitten, acht appellante de voor haar geselecteerde functie inpakker niet geschikt. Ten slotte heeft appellante erop gewezen dat zij kort voor haar ongeval was aangenomen als administratieve kracht bij een nieuwe werkgever. Dit zou tot gevolg moeten hebben dat het maatmaninkomen moet worden vastgesteld naar voltijdse arbeid.


2.2.

Het rapport van de neuroloog Rutgers is voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding geweest een extra beperking aan te nemen in verband met de door de neuroloog geconstateerde verminderde controle van de mictie. Aansluitend heeft er een nieuw arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de functie inpakker als niet passend beoordeeld. Naar aanleiding van het tegen het maatmaninkomen gerichte bezwaar is de arbeidskundige bezwaar en beroep ervan uitgegaan dat appellante, als zij niet was uitgevallen, werkzaam zou zijn geweest als horecamedewerkster voor 3,448 uur per week en als office assistent/junior medewerker financiele administratie (de functie waarvoor appellante was aangenomen) voor 20 uur per week. Appellante had dan nog recht gehad op een aanvulling vanuit de Werkloosheidswet op basis van haar werk als medewerkster tankstation tot een totale omvang van 30,80 uur per week. Het nieuwe maatmaninkomen is vastgesteld op € 9,89 per uur. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is nader vastgesteld op 50,41%.


2.3.

Bij besluit van 20 september 2013 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar, alleen voor het deel dat betrekking heeft op de met ingang van 9 september 2011 aan de orde zijnde vervolguitkering, gegrond verklaard en dit besluit in zoverre in de plaats van het besluit van 14 maart 2012 gesteld. Voor het overige heeft het Uwv het besluit van 14 maart 2012 gehandhaafd. In verband met de lagere restverdiencapaciteit van appellante dient haar mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 9 mei 2011 en met ingang van 9 september 2011 onderscheidenlijk ongewijzigd op 35-80% en gewijzigd op 45-55% te worden gesteld.


2.4.

Bij brief van 11 oktober 2013 heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het Uwv, ook in het nieuwe besluit, onvoldoende beperkingen heeft aangenomen in verband met de pijn-, cognitie en vermoeidsheidsklachten. Voorts overschrijden alle functies de belastbaarheid op het aspect zitten. Appellante heeft benadrukt dat zij op grond van de FML maximaal 30 minuten kan zitten, gevolgd door een substantiële onderbreking. Ten slotte moet de omvang van de maatman gesteld worden op fulltime werk.


2.5.

Naar aanleiding van de brief van appellante van 11 oktober 2013 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 9 januari 2014 nader toegelicht dat in alle resterende vier geselecteerde functies maximaal 30 minuten aaneengesloten wordt gezeten. Dit impliceert dat er ten minste elk half uur sprake is van een structurele onderbreking van het zitten. Als appellante het toilet bezoekt is dat een extra onderbreking bovenop de al in voldoende mate aanwezige functionele beperkingen. Overigens is ook toiletbezoek te beschouwen als een structurele onderbreking van het zitten. Deze wordt in het CBBS immers ook aangenomen als de functionaris voor bepaalde activiteiten de werkruimte moet verlaten.

2.6.

De voor appellante in aanmerking te nemen maatman en het maatmaninkomen heeft de arbeidskundige bezwaar en beroep als volgt toegelicht (waarbij voor eiser moet worden gelezen: appellante):

“In mijn rapportage van 17 september 2013 heb ik de maatman gewijzigd vastgesteld ten opzichte van mijn eerdere beoordelingen. Ik ben daarbij uitgegaan van een al gemaakte arbeidsovereenkomst met [de nieuwe werkgever], waar eiser per 1 september 2009 in dienst zou treden als office assistent/junior medewerker financiele administratie in een omvang van 20 uur per week.

Normaliter wordt bij de vaststelling van de maatman uitgegaan van het werk dat iemand verricht direct voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Daarvan kan worden afgeweken als met redelijke mate van zekerheid vaststaat dat betrokkenen op de eerste WIA dag andere arbeid zou gaan verrichten. In dit geval biedt de al vastgestelde arbeidsovereenkomst die redelijke mate van zekerheid. Ik ga daarom niet uit van de werkzaamheden op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, maar op verzoek van eiser van de in redelijke mate van zekerheid bestaande situatie op de eerste WIA dag.

Op de eerste WIA dag is met redelijke mate van zekerheid duidelijk dat eiser werkzaam zou zijn als office/junior medewerker financiële administratie in een omvang van 20 uur per week.

Er is verder geen reden om aan te nemen, dat eiser op de eerste WIA dag niet meer werkzaam zou zijn als horecamedewerkster voor gemiddeld 3,448 uur per week, zoals zij dat ook was direct voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

Er is wel reden om aan te nemen dat eiser op de eerste WIA dag niet meer werkzaam zou zijn als medewerker tankstation voor 27,352 uur per week. Er was sprake van een tijdelijk dienstverband dat afliep op 21 september 2009. Er staat geenszins met redelijke mate van zekerheid vast dat dit contract na 21 september 2009 zou worden verlengd. `Integendeel, in het rapport van A.W.F. Rutgers, neuroloog, van 19 juni 2013 staat op pagina 3 aangegeven, dat eiser bij het tankstation niet meer kon werken maar dat dit ook niet de bedoeling was.

Bij de vaststelling van de maatman ben ik uitgegaan van de in redelijke mate van zekerheid vaststaande situatie op de eerste WIA dag. Dat is de maatman, zoals ik die in mijn rapportage van 17 september 2013 uitgebreid heb beschreven.

Met betrekking tot het door mij in de rapportage van 17 september gehanteerde maatmaninkomen heeft eiser deels gelijk. Bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid […] heb ik per abuis het foutieve maatmaninkomen genoteerd. In plaats van de aangegeven € 9,44 moet dat zijn € 9,89 per uur […]. Controle van de berekening wijst overigens uit dat het arbeidsongeschiktheidspercentage het gevolg is van een vergelijking tussen de restverdiencapaciteit en het correcte maatmaninkomen. De uitkomst van de berekening wijzigt dus niet.”

2.7.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellante beroep heeft ingesteld tegen bestreden besluit 1 en dat het Uwv bij bestreden besluit 2 een gewijzigde beslissing op bezwaar heeft genomen. Bij dit besluit is de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd vastgesteld op 50,41% en is het bezwaar, voor zover betrekking hebbend op de WGA-vervolguitkering, gegrond verklaard. De WGA-vervolguitkering is gewijzigd toegekend op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%.


2.7.2.

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking heeft op bestreden besluit 2. Omdat het Uwv bestreden besluit 1 niet langer heeft gehandhaafd, heeft, aldus de rechtbank, appellante geen procesbelang bij de beoordeling van dit besluit en dient het beroep, voor zover gericht tegen bestreden besluit 1, niet-ontvankelijk te worden verklaard.


2.7.3.

Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooropgesteld dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante gewijzigd heeft vastgesteld op 50,41% en dat het Uwv het bezwaar, voor zover betrekking hebbend op de WGA-vervolguitkering, gegrond heeft verklaard en deze nader heeft vastgesteld op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%. Volgens de rechtbank is in geschil de vraag of het Uwv appellante met ingang van 9 mei 2011 op juiste gronden heeft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 80% in het kader van de Wet WIA.


2.7.4.

Volgens de rechtbank is er sprake geweest van een voldoende diepgaand en zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Behoudens de aanpassing van de FML in verband met de noodzaak van de nabijheid van een ruime en schone toiletgelegenheid, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de in beroep overlegde expertiserapporten terecht geen aanleiding gezien tot het aannemen van meer beperkingen. Daar komt bij dat neuroloog Rutgers heeft gerapporteerd dat de cognitieve problematiek van appellante geen neurologische basis heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gewezen op de restrictieve definities van de in de FML gehanteerde normaalwaarden. Op basis daarvan kan worden geoordeeld dat de beperkingen van appellante op cognitief gebied - zonder feitelijke neurologische schade - de normaalwaarden niet ontstijgen. De rechtbank heeft de voor appellante aangenomen urenbeperking van 4 uur per dag/twintig uur per week onderschreven.


2.7.5.

Het Uwv heeft voldoende toegelicht dat de beperking van appellante op het aspect zitten geen knelpunt is in de voor appellante geselecteerde functies. Wat appellante in verband met het toiletbezoek heeft aangevoerd is evenmin aanleiding voor de conclusie dat de geselecteerde functies ongeschikt zouden zijn voor appellante. Het Uwv heeft voldoende toegelicht dat appellante er ten onrechte vanuit is gegaan dat, behoudens in het geval van toiletbezoek, geen sprake is van een substantiële onderbreking van het werk in de geselecteerde functies. In alle geselecteerde functies is ten minste elk half uur sprake van een structurele onderbreking van het zitten. Toiletbezoek is een extra onderbreking bovenop de al aanwezig onderbrekingen.


2.7.6.

Ten slotte heeft de rechtbank het door het Uwv vastgestelde maatmaninkomen van appellante onderschreven.


3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat uit de in beroep overgelegde expertiserapporten blijkt dat de neuroloog en de medisch adviseur van Orthopaedic Consultancy B.V. overtuigd zijn van de ernstige pijn- en vermoeidheidsklachten van appellante en dat deze klachten onvoldoende in de FML zijn vertaald. Voorts heeft zij herhaald dat haar maatmanarbeid in ieder geval op 40 uur per week dient te worden gesteld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Bij het primaire besluit van 16 september 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 9 mei 2011 recht heeft op een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet WIA. Tegen dit besluit heeft appellante in bezwaar medische gronden ingediend. Bij bestreden besluit 1 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het besluit van 14 maart 2012 gehandhaafd. Dit besluit heeft appellante in beroep met medische en arbeidskundige gronden bestreden.


4.2.

Hangende beroep heeft het Uwv bestreden besluit 2 genomen. Bij dit besluit heeft het Uwv het bezwaar, alleen voor het deel dat betrekking heeft op de met ingang van 9 september 2011 aan appellante toegekende vervolguitkering, gegrond verklaard en dit besluit in zoverre in de plaats van besluit 1 gesteld. Voor het overige heeft het Uwv het besluit van 14 maart 2012 gehandhaafd. Hieruit moet worden geconcludeerd dat bestreden besluit 1, voor zover dit door het Uwv is gehandhaafd, nog immer de beslissing inhoudt dat het primaire besluit van

16 september 2011, waarbij aan appellante met ingang van 9 mei 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend, wordt gehandhaafd en dat bestreden besluit 2 de beslissing inhoudt dat appellante met ingang van 9 september een WGA-vervolguitkering wordt toegekend op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%.


4.3.

Door, zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan, als centrale vraag centraal te stellen of het Uwv appellante met ingang van 9 mei 2011 op juiste gronden heeft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35-80% in het kader van de Wet WIA, heeft de rechtbank het geding dus onjuist afgebakend. Voorts is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat het Uwv bestreden besluit 1 (in zijn geheel) niet heeft gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.


4.4.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad beoordelen of het Uwv bij bestreden besluit 1 het primaire besluit van 16 september 2011, gelet op de daartegen door appellante aangevoerde gronden, terecht en op goede gronden heeft gehandhaafd. Voorts zal de Raad beoordelen of de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 - waarbij, anders dan de rechtbank heeft vermeld, als beoordelingsdatum 9 september centraal staat - terecht ongegrond heeft verklaard.


4.5.

Bij de beoordeling van de voor appellante in aanmerking te nemen beperkingen heeft het Uwv geen onderscheid gemaakt tussen de beide in geding zijnde data, 9 mei 2011 en

9 september 2011. Ter zitting heeft het Uwv te kennen gegeven dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ervan uitgegaan is dat de belastbaarheid van appellante op beide data hetzelfde was. Er is geen aanleiding hier anders over te oordelen. Appellante heeft zich niet op het standpunt gesteld dat haar belastbaarheid op de genoemde data zou verschillen. De tot de gedingstukken behorende medische rapporten bieden daar ook geen enkele aanwijzing voor.


4.6.

Het oordeel van de rechtbank dat aan de bestreden besluiten een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt is juist. De Raad onderschrijft de in 2.7.4 samengevatte overwegingen van de rechtbank. De door appellante in beroep overgelegde medische expertises kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat daaruit blijkt dat voor de pijn- en vermoeidheidsklachten van appellante geen objectief medische oorzaak is aan te wijzen. Anders dan appellante heeft gesuggereerd, heeft deze bevinding er niet toe geleid dat het Uwv geen beperkingen in verband met genoemde klachten voor appellante heeft aangenomen, zoals ook blijkt uit de voor appellante aangenomen urenbeperking. Ook de in 2.7.5 samengevatte overwegingen van de rechtbank over de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies in verband met het aspect zitten worden geheel onderschreven.


4.7.

Anders dan bij de medische beoordeling het geval was, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij zijn beoordeling wel een onderscheid gemaakt tussen de beide in geding zijnde data. Dit hangt direct samen met het voor de loongerelateerde en vervolguitkering verschillende uitkeringsregimse. Voor de beoordeling van de voor beide data in aanmerking te nemen mate van arbeidsongeschiktheid heeft dit echter geen consequenties gehad. Deze is voor beide data vastgesteld op 41,55%. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het Uwv het maatmaninkomen van appellante juist heeft vastgesteld. Met zijn in 2.6 aangehaalde rapport van 9 januari 2014 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het voor appellante in aanmerking te nemen maatmaninkomen uitvoerig en overtuigend toegelicht.


4.8.

Wat in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen leidt tot het oordeel dat het hoger beroep in zoverre slaagt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad zal dit beroep alsnog ongegrond verklaren. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.


4.9.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op € 490,- voor verleende rechtsbijstand.








BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:


- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het beroep tegen het besluit van

14 maart 2012 niet-ontvankelijk is verklaard;

  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 14 maart 2012 ongegrond;
  • - bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 490,-;
  • - bepaalt dat het Uwv het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 122,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter, en R.E. Bakker en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) D. van Wijk




AP