Centrale Raad van Beroep, 06-10-2015 / 14/4707 WWB-V


ECLI:NL:CRVB:2015:3384

Inhoudsindicatie
Verzet gegrond. Geen financiële middelen voor griffierecht. Niet in verzuim.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-06
Publicatiedatum
2015-10-12
Zaaknummer
14/4707 WWB-V
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

14/4707 WWB-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, en artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 juli 2014, 13/8165 (aangevallen uitspraak)







Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (college)


PROCESVERLOOP


Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 en artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 3 maart 2015 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.


Appellant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.



OVERWEGINGEN


De uitspraak van de Raad van 3 maart 2015 berust hierop, dat appellant het verschuldigde griffierecht, dat voor hem voor deze zaak € 122,- bedraagt, niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.


Appellant heeft, met een beroep op de uitspraak van de Raad van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, en gelet op zijn financiële situatie aangevoerd dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.


In de uitspraak van 13 februari 2015 heeft de Raad onder meer overwogen dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang. Hiervan zal sprake zijn bij een rechtzoekende, zijnde een natuurlijke persoon, die aannemelijk maakt dat - op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort - het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en voorts dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Hierbij is de gezinssamenstelling van de rechtzoekende niet van belang en dient het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende.


In verzet is gebleken dat het netto-inkomen waarover appellant in de periode hier van belang kon beschikken minder bedraagt dan € 856,48 per maand. Voorts is niet gebleken dat appellant beschikte over vermogen waaruit het griffierecht kon worden betaald. In deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant door het niet betalen van het griffierecht in verzuim is geweest, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege dient te blijven.


Het verzet is gegrond. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 3 maart 2015 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. De behandeling ter zitting van het hoger beroep zal op 17 november 2015 plaatsvinden.


Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.



Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons in tegenwoordigheid van R. Groothuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.




(getekend) T.G.M. Simons




(getekend) R. Groothuis





HD