Centrale Raad van Beroep, 06-10-2015 / 13/6747 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3387

Inhoudsindicatie
Hennepkwekerij. Intrekking en terugvordering. Vooronderstelling exploitant. Zij kan niet worden gevolgd in haar betoog dat aan de hand van de normen vastgesteld in het rapport van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van 1 november 2010 (rapport BOOM) de (fictieve) inkomsten van appellante uit de hennepkwekerij kunnen worden vastgesteld. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 9 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4094) volgt dat, indien al grond zou bestaan om voor de berekening van de inkomsten van appellante bij het rapport BOOM aansluiting te zoeken, dan in elk geval voldoende duidelijkheid dient te bestaan over de herkomst van de productiemiddelen en de afzet van de oogst. Concrete en controleerbare gegevens hierover ontbreken echter. Ook het totaal aantal hennepplanten van de voorgaande oogst kan niet op grond van concrete en verifieerbare gegevens worden vastgesteld. Voor het maximeren van het totale benadelingsbedrag, in die zin dat de intrekking in tijdsduur wordt beperkt, behoefde het college dan ook geen aanleiding te zien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-06
Publicatiedatum
2015-10-12
Zaaknummer
13/6747 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6747 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 november 2013, 13/584 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Emmen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Wormmeester, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wormmeester. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P. Bethlehem.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontvangt van het college sinds 15 december 2002 bijstand, ten tijde in geding ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Op 12 maart 2013 zijn door de politie Drenthe (politie) in een schuur en een stacaravan op het perceel van appellante twee hennepkwekerijen aangetroffen met in totaal 375 hennepplanten. Voorts werden onder een houten overkapping achter de stacaravan twee zakken met hennepafval aangetroffen. Appellante heeft op 12 maart 2013 tegenover de politie een tweetal verklaringen afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 april 2013.


1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 18 april 2013 de bijstand van appellante over de periode van 1 september 2012 tot en met 12 maart 2013 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.599,91 van appellante teruggevorderd.


1.4.

Bij besluit van 24 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 april 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellante hennep heeft geteeld. Door hiervan geen mededeling te doen aan het college en van de exploitatie van de hennepplantage geen deugdelijke administratie bij te houden is het recht op bijstand niet vast te stellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij niet de exploitant was van de hennepkwekerijen en dat het aan de politie te wijten is dat de exploitant niet is opgepakt. Voorts blijkt uit een rapport van de politie dat de hennepkwekerij in de schuur vier weken draaide en dat daar nog niet eerder was geoogst. Daarom is niet aannemelijk dat daar reeds vanaf 1 september 2012 een hennepkwekerij werd geëxploiteerd. Haar verklaring dat zij in januari 2013 in de schuur is geweest en er toen geen sprake was van een hennepkwekerij, is dan ook aannemelijk en ten onrechte terzijde geschoven. Ook heeft appellante aangevoerd dat haar voordeel, uitgaande van één oogst en ondanks het ontbreken van een sluitende boekhouding/administratie, aan de hand van het in het kader van de ontnemingsprocedure opgemaakte rapport kan worden vastgesteld, en daarmee het recht op bijstand van 1 september 2012 tot en met 12 maart 2013. Tot slot heeft appellante, met een beroep op een tweetal in hoger beroep overgelegde arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in tegen haar gewezen strafzaken, aangevoerd dat de omkering van de bewijslast, die uit de rechtspraak van de Raad in dit soort zaken volgt, in dit geval geen opgeld kan doen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hier te beoordelen periode strekt zich uit van 1 september 2012 tot en met 12 maart 2013.


4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6659) rechtvaardigt de aanwezigheid van een hennepkwekerij in een bij een woning behorende schuur de vooronderstelling dat de bewoner van de woning (mede) exploitant is van de hennepkwekerij en dat de opbrengst daarvan (ook) haar ten goede is gekomen.


4.4.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij geen kennis had van de hennepkwekerijen en deze niet zelf heeft geëxploiteerd. Voorts heeft appellante niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij uit of in verband met de hennepkwekerijen geen inkomsten heeft gehad. Door geen administratie bij te houden heeft appellante een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen voor haar rekening en risico dienen te blijven. Hetzelfde geldt voor de datum met ingang waarvan de exploitatie van de hennepkwekerijen is aangevangen. Daarbij komt dat achter de stacaravan twee zakken met restafval zijn aangetroffen, wat duidt op een eerdere oogst.


4.5.

De stelling dat het aan de politie te wijten zou zijn dat de exploitant van de kwekerijen niet is opgepakt, wat daarvan ook zij, doet aan het voorgaande niets af. De omstandigheid dat appellante in de strafrechtelijke ontnemingszaak in hoger beroep is vrijgesproken en voor het ten laste gelegde medeplegen dan wel medeplichtig zijn aan het opzettelijk aanwezig hebben en het telen van hennep slechts is veroordeeld tot een voorwaardelijke hechtenis van twee weken met een proeftijd van twee jaar, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6606) is de bestuursrechter in het algemeen niet gebonden aan wat door de strafrechter is geoordeeld, te minder nu in een dergelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. De overgelegde arresten bieden geen aanknopingspunten om daar in dit geval anders over te oordelen.


4.6.

Het exploiteren van een hennepkwekerij als hier aan de orde moet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat dit van belang kon zijn voor de verlening van de bijstand. Door geen melding te maken van deze - gelet op de omvang van de kwekerijen onmiskenbaar op geld waardeerbare - activiteit heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.


4.7.

Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand bestond.


4.8.

Appellante is daarin niet geslaagd. Zij kan niet worden gevolgd in haar betoog dat aan de hand van de normen vastgesteld in het rapport van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van 1 november 2010 (rapport BOOM) de (fictieve) inkomsten van appellante uit de hennepkwekerij kunnen worden vastgesteld. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 9 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4094) volgt dat, indien al grond zou bestaan om voor de berekening van de inkomsten van appellante bij het rapport BOOM aansluiting te zoeken, dan in elk geval voldoende duidelijkheid dient te bestaan over de herkomst van de productiemiddelen en de afzet van de oogst. Concrete en controleerbare gegevens hierover ontbreken echter. Ook het totaal aantal hennepplanten van de voorgaande oogst kan niet op grond van concrete en verifieerbare gegevens worden vastgesteld. Voor het maximeren van het totale benadelingsbedrag, in die zin dat de intrekking in tijdsduur wordt beperkt, behoefde het college dan ook geen aanleiding te zien.


4.9.

Uit 4.4 tot en met 4.8 volgt dat het college bevoegd was de bijstand over de te beoordelen periode in te trekken.


4.10.

Tegen de terugvordering heeft appellante geen afzonderlijke gronden aangevoerd.


4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) R.G. van den Berg

HD