Centrale Raad van Beroep, 06-10-2015 / 14/3952 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3406

Inhoudsindicatie
Opschorting en intrekking bijstand. Er is bij appellant weliswaar sprake van een psychische problematiek, maar hiermee is niet aannemelijk gemaakt dat appellant ten tijde van de oproepen op 16 mei 2013 en 21 mei 2013 niet in staat was kennis te nemen van de inhoud van deze oproepen en hierop tijdig te reageren door contact op te nemen met het college. Dit betekent dat appellant van het niet tijdig reageren op de oproepen een verwijt kan worden gemaakt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-06
Publicatiedatum
2015-10-12
Zaaknummer
14/3952 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3952 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2014, 14/2494 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.P. Schut, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2015. Namens appellant is

mr. Schut verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R. Lo Fo Sang.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sedert 17 december 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellant twee auto’s least, heeft het college appellant bij brief van 16 mei 2013 opgeroepen voor een gesprek op 21 mei 2013, waarbij hij onder andere bankafschriften of transactieoverzichten van zijn rekeningen moest meenemen.


1.3.

Bij besluit van 21 mei 2013 (besluit 1) heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 21 mei 2013 opgeschort omdat hij niet op de afspraak is verschenen. Daarbij heeft het college appellant wederom opgeroepen voor een gesprek op 23 mei 2013.


1.4.

Bij besluit van 6 juni 2013 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 maart 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 21 mei 2013 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant heeft verzuimd binnen de in het opschortingsbesluit gestelde termijn te reageren.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij is verzuimd te beslissen op het bezwaar tegen besluit 1, en het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat niet aannemelijk is dat appellant als gevolg van psychische klachten geen gehoor heeft kunnen geven aan de oproepen van 16 mei 2013 en 21 mei 2013 dan wel niet in staat is geweest om tijdig contact op te nemen naar aanleiding van de oproepen. Het college heeft in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting en intrekking gebruik kunnen maken.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het wettelijke kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.


4.1.

Niet in geschil is dat appellant niet heeft gereageerd op de oproepen van 16 mei 2013 en 21 mei 2013.


4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hem door zijn psychische gesteldheid niet kan worden verweten dat hij geen gehoor heeft gegeven aan de oproepen.


4.3.

In het dossier bevinden zich e-mails van de behandelend psycholoog T. Tasliyurt van

12 juni 2013 en 24 juni 2013. Hieruit blijkt dat bij appellant weliswaar sprake is van een psychische problematiek, maar hiermee is niet aannemelijk gemaakt dat appellant ten tijde van de oproepen op 16 mei 2013 en 21 mei 2013 niet in staat was kennis te nemen van de inhoud van deze oproepen en hierop tijdig te reageren door contact op te nemen met het college. Dit betekent dat appellant van het niet tijdig reageren op de oproepen een verwijt kan worden gemaakt.


4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.





(getekend) W.H. Bel




(getekend) C.M. Fleuren




HD