Centrale Raad van Beroep, 06-10-2015 / 14/3978 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3413

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag. Geen verblijf op uitkeringsadres. Niet aannemelijk gemaakt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-06
Publicatiedatum
2015-10-12
Zaaknummer
14/3978 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3978 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 juni 2014, 13/4639 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.C.F. de Vos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant is gehuwd met [H.] (H). H woont in [Z.] (Gelderland). Appellant heeft tot 5 maart 2013 als kleine zelfstandige gewerkt. Op 2 april 2013 heeft appellant een aanvraag ingediend voor bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij heeft appellant het [uitkeringsadres nr.] 20 te Haarlem (uitkeringsadres) als zijn woonadres opgegeven. Naar aanleiding van de aanvraag hebben medewerkers van de gemeente Haarlem een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben deze medewerkers op 8 en 9 april 2013 getracht een huisbezoek aan het uitkeringsadres af te leggen. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapportage van 7 mei 2013. In deze rapportage is vermeld dat appellant beide keren niet aanwezig was, dat op 9 april 2013 werd opengedaan door [C.] (C) en dat C heeft verklaard dat appellant bij zijn vrouw verblijft en dat C de woning tijdelijk huurt van appellant.


1.2.

Bij besluit van 7 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant feitelijk niet verblijft op het uitkeringsadres.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 2 april 2013 tot en met 7 mei 2013, de datum van het afwijzingsbesluit.


4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.


4.3.

Het standpunt van het college moet, zo heeft de vertegenwoordiger van het college ter zitting bevestigd, zo worden begrepen dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen juiste inlichtingen over zijn feitelijke woonadres te verstrekken en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hij op 8 en 9 april 2013, ongelukkigerwijs net op de dagen waarop de huisbezoeken hebben plaatsgevonden, in de woning van H in [Z.] verbleef in verband met haar problemen met een ex-huurder van die woning. H was daar toen niet aanwezig. Nadien verbleef appellant weer op het uitkeringsadres.


4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.


4.5.1.

Vaststaat dat appellant op 8 en 9 april 2013 niet in de woning op het uitkeringsadres aanwezig was. Anders dan appellant, ziet de Raad geen reden de juistheid te betwijfelen van de rapportage met de verslagen van de controlebezoeken aan het uitkeringsadres op die data en dus ook niet aan de door C op 9 april 2013 afgelegde verklaring, zoals weergegeven in 1.1. Appellant heeft wel gesteld dat deze verklaring onjuist is, maar heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens ingebracht ter ondersteuning van die stelling.


4.5.2.

Dat appellant slechts twee dagen, op 8 en 9 april 2013, niet op het uitkeringsadres aanwezig was, omdat hij uitsluitend op die dagen verbleef op het adres van H te [Z.] - van wie appellant volgens een overeenkomst van 13 september 2005 is gescheiden van tafel en bed - , heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt. Daartoe is de door appellant in hoger beroep ingezonden verklaring van H van 7 augustus 2014 ontoereikend, reeds omdat deze verklaring achteraf is opgemaakt en geen steun vindt in objectieve en verifieerbare gegevens. Appellant heeft nog een - onvolledig - proces-verbaal van aangifte door H op 7 april 2013 ingezonden, maar hieruit blijkt niet meer dan dat H aangifte heeft gedaan van insluiping en huisvredebreuk door een voormalige huurder van haar woning. In het bijzonder zijn geen gegevens voorhanden waaruit blijkt, zoals appellant stelt en H verklaart, dat H met de politie had afgesproken dat de ex-huurder zijn spullen op 8 en 9 april 2013 uit de woning van H zou halen, dat H daarbij niet aanwezig wilde zijn en dat appellant daarom op die dagen in de woning van H heeft verbleven.


4.5.3.

Appellant heeft nog gewezen op een e-mailbericht van zijn voormalige verhuurder van 16 maart 2013, waarin onder meer staat dat appellant onrechtmatig in de woning op het uitkeringsadres verbleef. Aangezien dit e-mailbericht dateert van vóór de te beoordelen periode kan daaruit, anders dan appellant betoogt, niet worden afgeleid dat appellant in die periode feitelijk op het uitkeringsadres verbleef. Dat de advocaat van appellant in mei 2013 per e-mailberichten van 8 en 21 mei 2013 de verhuurder van het - onder de woning op het uitkeringsadres gelegen - bedrijfspand op het [uitkeringsadres nr.] 18-20 te Haarlem heeft verzocht om de voorgenomen afsluiting van energie en water niet ten uitvoer te leggen, betekent niet dat moet worden aangenomen dat appellant op dat moment zelf in de woning op het uitkeringsadres verbleef.


4.5.4.

Verder blijkt uit een e-mailbericht van 10 mei 2013 van de verhuurder van de woning op het uitkeringsadres van appellant dat andere sloten op de deuren waren gezet en voorts dat appellant in ieder geval vanaf 10 mei 2013 niet meer op dat adres verbleef. In dat

e-mailbericht staat namelijk: “In verband met een mogelijk brandgevaar waren wij genoodzaakt het pand vandaag te betreden. Controle van o.a. de elektra was noodzakelijk. Tijdens de controle troffen wij inboedel/matrassen en verschillende kledij aan, waarvan wij het bestaan niet weten. Aangezien wij denken dat deze spullen nog aan jou toebehoren stellen wij je in de gelegenheid om per direct een afspraak met [naam] te maken om deze spullen nog uit de woning te gaan halen.”


4.5.5.

Appellant heeft nog gewezen op de drie reeds in beroep overgelegde verklaringen van buurtbewoners uit de omgeving van het uitkeringsadres. De rechtbank heeft met betrekking tot deze verklaringen terecht overwogen dat deze onvoldoende concreet zijn ten aanzien van het feitelijk verblijf op het uitkeringsadres van appellant in de te beoordelen periode en dat om die reden aan die verklaringen niet de betekenis kan worden toegekend die appellant daaraan wenst toe te kennen.


4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) J.L. Meijer




HD