Centrale Raad van Beroep, 06-10-2015 / 14/4065 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3414

Inhoudsindicatie
Intrekking na opschorting bijstand. Hersteltermijn was niet te kort. Appellante heeft haar vakantie niet doorgegeven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-06
Publicatiedatum
2015-10-12
Zaaknummer
14/4065 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4065 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 juni 2014, 13/7332 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur met ingang van 1 januari 2015 de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand uit die voorheen door het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur tevens genoemd college verstaan.

Namens appellante heeft mr. C.G.A. Mattheussens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Namens appellante is verschenen mr. C.F.A. Cadot, advocaat, kantoorgenoot van mr. Matheussens. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Neeleman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 27 januari 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een anonieme melding van 3 mei 2013 dat appellante samenwoont met [A.], heeft een preventiemedewerker van de gemeente Roosendaal een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader heeft de preventiemedewerker dossieronderzoek verricht, diverse registraties geraadpleegd, in de periode van 28 juni 2013 tot en met 9 juli 2013 waarnemingen verricht in de omgeving van het woonadres van appellante en appellante bij brief van 8 juli 2013 uitgenodigd voor een gesprek op 16 juli 2013. Appellante heeft aan die uitnodiging zonder afmelding geen gevolg gegeven. Daarop heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 16 juli 2013 het recht op bijstand van appellante met ingang van die datum opgeschort. Daarbij heeft het dagelijks bestuur appellante in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door op 18 juli 2013 op gesprek te komen. Ook voor dit gesprek is appellante zonder afmelding niet verschenen.


1.2.

Bij besluit van 22 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 november 2013 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken met ingang van 16 juli 2013.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het haar niet kan worden verweten dat zij niet is verschenen op het gesprek op 18 juli 2013. Appellante stelt in dat verband dat de bij het opschortingsbesluit gegeven hersteltermijn te kort was, omdat bij het dagelijks bestuur ten tijde van dat besluit bekend was dat appellante tot eind juli 2013 op vakantie was. Het dagelijks bestuur wist dus dat appellante geen gevolg kon geven aan de uitnodiging voor het gesprek op 18 juli 2013. Door de bijstand in te trekken, terwijl de tekortkoming van appellante - te weten dat zij op vakantie is gegaan zonder daarvoor toestemming te vragen door middel van een daartoe bestemd formulier - daarvoor geen rechtvaardiging biedt, heeft het dagelijks bestuur misbruik gemaakt van zijn intrekkingsbevoegdheid. Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat het dagelijks bestuur, gelet op de omstandigheden waaronder de overtreding heeft plaatsgevonden, de aard van de bijstand als laatste inkomensvoorziening en het feit dat appellante alleenstaande moeder is, redelijkerwijs had kunnen volstaan met een waarschuwing dan wel een korting op haar uitkering.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellante heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 16 juli 2013 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.


4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.


4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante, door geen gehoor te geven aan de in het opschortingsbesluit vervatte oproep om op 18 juli 2013 op gesprek te komen, de gevraagde medewerking niet heeft verleend. Uitsluitend in geschil is of haar daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Anders dan appellante en met de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Daartoe wordt het volgende overwogen.


4.4.

Niet in geschil is dat appellante een groot deel van de maand juli 2013 op vakantie was. Zij heeft het dagelijks bestuur niet daaraan voorafgaand toestemming gevraagd voor deze vakantie door middel van de daartoe bestemde formulieren dan wel anderszins. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het dagelijks bestuur er niettemin toch van op de hoogte was dat appellante op vakantie was. Het dagelijks bestuur heeft betwist daarvan op de hoogte te zijn geweest. Onder de beschikbare gegevens bevindt zich weliswaar een e-mailbericht van 27 mei 2013 van [W.] (W) - begeleider van het re-integratiebedrijf waar appellante een traject volgde - aan de klantmanager van appellante waarin staat dat appellante heeft opgegeven van 2 tot en met 30 juli 2013 op vakantie te willen gaan, maar dit is onvoldoende voor de conclusie dat het dagelijks bestuur er ten tijde van het opschortingsbesluit van op de hoogte was dat appellante op dat moment daadwerkelijk op vakantie was. W heeft appellante per e-mailbericht van 28 mei 2013 laten weten dat zij vakantie diende aan te vragen met een daartoe bestemd formulier. Dit staat ook in de bijlage bij het besluit van 13 maart 2013, waarbij het dagelijks bestuur appellante met ingang van 27 januari 2013 bijstand heeft verleend. Door het dagelijks bestuur niet vooraf toestemming te vragen om op vakantie te gaan, heeft appellante het risico genomen dat het dagelijks bestuur daarvan niet op de hoogte was. De gevolgen daarvan komen voor rekening van appellante.


4.5.

Uit 4.4 volgt dat er vanuit moet worden gegaan dat het dagelijks bestuur ten tijde van het opschortingsbesluit van 16 juli 2013 niet wist dat appellante op vakantie was. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de door het dagelijks bestuur bij het opschortingsbesluit gegeven hersteltermijn te kort was. Dat appellante geen gevolg heeft gegeven aan de oproep voor het gesprek op 18 juli 2013 kan haar dan ook worden verweten.


4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54,

vierde lid, van de WWB is voldaan. Het dagelijks bestuur was daarom bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 16 juli 2013 in te trekken. Reeds omdat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB slaagt de beroepsgrond dat het dagelijks bestuur misbruik van deze bevoegdheid heeft gemaakt niet. Wat appellante heeft aangevoerd, levert geen grond op voor het oordeel dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.


4.7.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) J.L. Meijer




HD