Centrale Raad van Beroep, 07-10-2015 / 14/4458 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:3434

Inhoudsindicatie
1) Beëindiging WW-uitkering in verband met het bereiken van de maximale uitkeringsduur. De vermelding in het besluit, dat appellante nog WW-recht 2 blijft ontvangen, is een mededeling van informatieve aard die niet is gericht op enig rechtsgevolg. 2) Herziening en (berekening van) de bruto terugvordering is inzichtelijk en gedetailleerd toegelicht. Het beroep op verrekening slaagt niet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-07
Publicatiedatum
2015-10-08
Zaaknummer
14/4458 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4458 WW, 14/4459 WW

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1 juli 2014, 12/5974, 13/724 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2015. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN


1.1.

Uwv heeft appellante bij besluit van 15 september 2009 met ingang van 3 augustus 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een gemiddeld arbeidsurenverlies van 34,66 uur per week en een dagloon van

€ 59,09.


1.2.

Bij besluit van 30 mei 2011 heeft het Uwv het besluit van 15 september 2009 ingetrokken en appellante met ingang van 3 augustus 2009 in aanmerking gebracht voor een

WW-uitkering, berekend naar een gemiddeld arbeidsurenverlies van 36,85 uur per week en een dagloon van € 99,97 (WW-recht 1). De toenmalige gemachtigde van appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar dit bezwaar op 25 oktober 2011 ingetrokken. In verband met het besluit van 30 mei 2011 heeft het Uwv nabetalingen verricht aan appellante.


1.3.

Op enig moment is gebleken dat appellante sinds 16 augustus 2010 werkzaam was bij [Stichting X.] ([Stichting X.]). Op basis van een opgave van het [Stichting X.] heeft het Uwv bij besluit van 9 juni 2011 de WW-uitkering van appellante met ingang van 16 augustus 2010 herzien en over de periode van 16 augustus 2010 tot en met 27 februari 2011 een bedrag van € 2.224,35 bruto aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 23 juni 2011 heeft het Uwv appellante een boete opgelegd van € 345,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. Bij besluiten van 11 november 2011 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 9 juni 2011 en 23 juni 2011 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 november 2012 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 mei 2014 heeft deze Raad de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 14 november 2012 bevestigd (ECLI:NL:CRVB:2014:1862).


1.4.

In verband met de beëindiging van haar werkzaamheden bij het [Stichting X.] heeft het Uwv appellante bij besluit van 21 september 2011 met ingang van 1 augustus 2011 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering, berekend naar een gemiddeld arbeidsurenverlies van 25,06 en een dagloon van € 112,01 (WW-recht 2).


1.5.

Bij besluit van 20 oktober 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat WW-recht 1 met ingang van 24 september 2011 is geëindigd wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur. In dit besluit is ook opgenomen dat appellante na 23 september 2011 nog een WW-uitkering blijft ontvangen voor 25,06 per week (WW-recht 2), met een uitkering van € 84,- bruto per dag. Bij besluit van 19 oktober 2012 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 oktober 2011 ongegrond verklaard.


1.6.

In september 2011 is gebleken dat appellante (ook) van 31 januari 2011 tot 1 augustus 2011 voor 25,06 uur per week was verbonden aan het [Stichting X.], en over die uren loon heeft ontvangen. Omdat het Uwv bij de in 1.3 vermelde herziening er van was uitgegaan dat appellante vanaf 31 januari 2011 over minder uren loon had ontvangen (variërend van 16,97 uur per week tot 19,11 uur per week) heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2011 de WW-uitkering van appellante met ingang van 31 januari 2011 herzien en over de periode van 31 januari 2011 tot en met 17 juli 2011 een bedrag van € 1.571,42 bruto aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellante teruggevorderd. Bij besluit van (uiteindelijk) 8 januari 2014 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 november 2011 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant ten aanzien van bestreden besluit 1 gemotiveerd betoogd dat het dagloon van zowel WW-recht 1 als WW-recht 2 niet juist is vastgesteld. Ten aanzien van bestreden besluit 2 heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het Uwv de omvang en berekening van de herziening en terugvordering vanaf 31 januari 2011 onvoldoende heeft gemotiveerd. Bovendien heeft appellante gesteld dat het Uwv haar over de periode van

3 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2013 netto een bedrag van € 37.199,91 te weinig heeft uitbetaald.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Bestreden besluit 1


4.1.1.

Uit de door appellante aangevoerde gronden blijkt dat niet (langer) in geschil is dat WW-recht 1 per 24 september 2011 is geëindigd in verband met het bereiken van de maximale uitkeringsduur.


4.1.2.

Ten aanzien van de grond van appellante dat het dagloon van WW-recht 1 niet juist is vastgesteld wordt overwogen dat het aspect dagloon uitsluitend aan de orde kan komen in een procedure over een besluit waarin dit aspect voorkomt. Gelet op het feit dat het bestreden besluit 1 uitsluitend ziet op het eindigen van het WW-recht 1 in verband met het bereiken van de maximale uitkeringsduur is daarvan in dit geval geen sprake. De grond van appellante behoeft daarom geen bespreking.


4.1.3.

Met betrekking tot de grond van appellante over het dagloon van WW-recht 2 wordt overwogen dat de vermelding in het besluit van 20 oktober 2011, dat appellante na

23 september 2011 nog WW-recht 2 blijft ontvangen, een mededeling van informatieve aard is die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Zodoende is er in die zin geen sprake van een besluit als bedoeld in van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit heeft tot gevolg dat de grond van appellante ten aanzien van de hoogte van het dagloon van

WW-recht 2 niet in deze procedure aan de orde kan komen.


Bestreden besluit 2


4.2.1.

De door appellante aangevoerde grond dat het Uwv de omvang en berekening van de herziening en terugvordering vanaf 31 januari 2011 onvoldoende heeft gemotiveerd slaagt niet. Het Uwv heeft in het, in een eerdere fase van de besluitvorming niet langer gehandhaafd maar zich wel onder de stukken bevindend, besluit van 18 januari 2013 alsmede in bestreden besluit 2 de in geding zijnde herziening en (berekening van) de bruto terugvordering inzichtelijk en gedetailleerd toegelicht. Dit geldt ook voor de periode van

31 januari 2011 tot en met 27 februari 2011, die ook in de in 1.3 vermelde procedure aan de orde was. Al hetgeen appellante ten aanzien van dit punt heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Van een motiveringsgebrek is dan ook geen sprake.


4.2.2.

Voor zover appellante een beroep heeft willen doen op verrekening van de terugvordering van het Uwv € 1.571,42 met een gestelde vordering van haar op het Uwv van € 37.199,91 wordt als volgt overwogen. Op grond van artikel 4:93, eerste lid, van de Awb geschiedt verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Een dergelijke bevoegdheid is niet bij wettelijk voorschrift aan appellante gegeven. Reeds daarom kan het beroep van appellante op verrekening niet slagen.


4.3.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.2 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015.




(getekend) C.C.W. Lange




(getekend) D. van Wijk





NK