Centrale Raad van Beroep, 25-09-2015 / 13/6143 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3437

Inhoudsindicatie
Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2016:1645. De gerectificeerde uitspraak is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2015:5004. De onderstaande tekst is niet meer geldig.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-25
Publicatiedatum
2015-10-08
Zaaknummer
13/6143 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6143 WIA

Datum uitspraak: 25 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

18 oktober 2013, 12/4836 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, Uwv (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. van den Os een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2015. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de feiten wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


1.2.

Betrokkene is werkzaam geweest als haarstylist. Zij heeft zich op 4 september 2006 ziek gemeld wegens klachten aan de enkel, knie en nek, alsmede vermoeidheidsklachten. In verband met deze klachten heeft appellant betrokkene met ingang van 31 augustus 2009 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend.


1.3.

In het kader van een herbeoordeling van haar mate van arbeidsongeschiktheid heeft een verzekeringsarts van appellant betrokkene op 24 augustus 2011 onderzocht en naar aanleiding daarvan voor betrokkene aanzienlijk minder beperkingen aangenomen dan ten grondslag lagen aan de eerder toegekende IVA-uitkering. Arbeidskundig onderzoek heeft vervolgens uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder bedroeg dan 35%. Op grond van deze bevindingen heeft appellant de IVA-uitkering van betrokkene bij besluit van 2 maart 2012 met ingang van 3 mei 2012 ingetrokken.


1.4.

Naar aanleiding van het door betrokkene tegen het besluit van 2 maart 2012 gemaakte bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van appellant mede op basis van een door hem ingewonnen neuropsychologische expertise de door de verzekeringsarts voor betrokkene aangenomen beperkingen voor het persoonlijk en sociaal functioneren, alsmede voor dynamische handelingen en statische houdingen, aangescherpt en deze vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 augustus 2012. Onderzoek van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van appellant heeft vervolgens uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene, ook met inachtneming van de FML van

30 augustus 2012, minder dan 35% bedraagt. Daarop heeft appellant bij besluit van

7 september 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft geen grond gevonden voor het oordeel dat appellant meer beperkingen voor betrokkene had moeten aannemen voor het persoonlijk en sociaal functioneren. Evenmin zijn er aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid voor de fysieke beperkingen die in de FML zijn opgenomen.


2.2.

Betrokkene heeft er echter terecht op gewezen dat niet begrijpelijk is dat in de FML een gemiddelde arbeidsduur van 30 uur is opgenomen, omdat de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geraadpleegde neuropsycholoog een arbeidsuur van 20 tot 30 uur heeft geadviseerd.


2.3.

Tot slot heeft appellant onvoldoende gemotiveerd waarom er, anders dan in de FML van 24 september 2009, in de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde FML van

30 augustus 2012 geen beperking is opgenomen voor het aspect ‘zien’. De rechtbank heeft er in dit verband op gewezen dat twee van de drie van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor betrokkene geselecteerde functies een kenmerkende belasting hebben op het aspect ‘zien’ en dat voor de functie ‘productiemedewerker textiel’ zelfs is vereist dat een draad door een naald kan worden gedaan.


3. In hoger beroep heeft appellant zich, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 december 2013, op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat beperkingen aangenomen moeten worden op het aspect ‘zien’. De uitspraak van de rechtbank impliceert dat er alsnog een beperking op dit aspect moet worden aangenomen. Dat betrokkene heeft gemeld dat zij wazig ziet, is daartoe echter niet voldoende. Een klacht, noch een diagnose is daarvoor voldoende. Bij betrokkene is geen sprake van een consistent geheel van stoornissen, beperkingen en handicaps die een beperking op het aspect ‘zien’ rechtvaardigen. Uit dossieronderzoek komt weliswaar naar voren dat betrokkene klaagde over wazig zien, maar niet in hoeverre en op welke wijze haar dat bij persoonlijk en sociaal functioneren hinderde. Argumenten op grond waarvan een beperking op ‘zien’ in 2009 wel werd toegekend, kunnen niet worden teruggevonden. Ten slotte is betrokkene in staat gebleken te studeren en auto te rijden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het hoger beroep richt zich niet tegen het in 2.2 vermelde oordeel van de rechtbank dat niet begrijpelijk is dat in de FML een gemiddelde arbeidsduur van 30 uur is opgenomen, hoewel de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geraadpleegde neuropsycholoog een arbeidsuur van 20 tot 30 uur heeft geadviseerd. In dit oordeel ligt besloten dat de in de FML voor betrokkene aangenomen arbeidsduur niet op inzichtelijke en deugdelijke wijze is gemotiveerd. Uit de door de rechtbank gebruikte bewoordingen en de structuur van de uitspraak blijkt niet dat zij haar opdracht tot het nemen van een nieuw besluit heeft willen beperken tot het door haar in verband met het aspect ‘zien’ vastgestelde motiveringsgebrek. De overwegingen over beide gebreken zijn opgenomen onder hetzelfde randnummer, terwijl ook de woorden “Daar komt bij’’, ter inleiding van de aan het gestelde visusgebrek gewijde derde alinea, nadat in de tweede alinea is gewezen op een tekortkoming in de motivering voor de aangenomen werktijden, erop duiden dat beide motiveringsgebreken aan de in het dictum van de uitspraak vermelde opdracht ten grondslag liggen. Alleen al om deze reden kan het hoger beroep niet slagen.


4.2.

Voorts kan het standpunt van appellant dat de rechtbank een onjuist standpunt heeft ingenomen over de door betrokkene gestelde beperking op het aspect ‘zien’ niet worden gevolgd. Anders dan appellant heeft aangenomen, heeft de rechtbank niet geoordeeld dat voor betrokkene beperkingen moeten worden aangenomen op het aspect ‘zien’. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd waarom nu geen beperking meer is aangenomen op het aspect ‘zien’, terwijl dit wel het geval was in de FML van 24 september 2009. Dit oordeel sluit niet uit dat met een nadere motivering tot de slotsom kan worden gekomen dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde FML van 30 augustus 2012 op het aspect visus in stand kan blijven. Dat de rechtbank bij haar beoordeling mede gewicht heeft gehecht aan de vaststelling dat eerder, in de FML van 24 september 2009, wel een beperking op visus werd aangenomen, is niet onbegrijpelijk. Dat, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 11 december 2013 heeft betoogd, deze beperking destijds ten onrechte is aangenomen, is onvoldoende concreet onderbouwd.


4.3.

Wat is 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover daarin is bepaald dat onvoldoende is onderbouwd waarom geen bepaling ter aanzien van de visus van betrokkene meer is aangenomen.


4.4.

Met het oog op een voortvarende afwikkeling van de zaak ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat beroep tegen het nieuwe besluit waartoe de rechtbank opdracht heeft gegeven slechts kan worden ingesteld bij de Raad.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
  • - bepaalt dat het beroep tegen het nieuwe besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter, en G. van Zeben-de Vries en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2015.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) M. Crum




AP