Centrale Raad van Beroep, 08-10-2015 / 14-5675 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:3440

Inhoudsindicatie
Ontslag wegens ongeschiktheid voor het verrichten van haar functie. Aan de hand van concrete voorbeelden is duidelijk gemaakt op welke punten het functioneren van appellante tekortschoot. Zij heeft in de loop van de jaren voldoende kansen gekregen om haar functioneren te verbeteren en heeft deze kansen niet weten te benutten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-08
Publicatiedatum
2015-10-09
Zaaknummer
14-5675 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5675 AW

Datum uitspraak: 8 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

22 september 2014, 14/2737 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van bestuur van De Haagse Scholen, Stichting voor primair en speciaal openbaar onderwijs (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.P. van Geffen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. H.J. Brouwer, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Geffen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Brouwer, T. Kosterink en R. Moene.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was sinds februari 2001 werkzaam als leerkracht LB van een neveninstroomgroep/schakelklas voor leerlingen die NT2-onderwijs volgen aan de

[school X.] te Den Haag.


1.2.

In de periode van december 2010 tot en met april 2013 zijn er verscheidene (functionerings-)gesprekken met appellante gehouden. Tevens heeft een aantal klassenbezoeken plaatsgevonden. Van deze gesprekken en klassenbezoeken zijn verslagen opgesteld.


1.3.

Op 9 april 2013 heeft een beoordelingsgesprek met appellante plaatsgevonden. De totaalbeoordeling luidde onvoldoende. Appellante heeft het verslag van het beoordelingsgesprek niet willen tekenen.


1.4.

Op 20 december 2013 heeft het college aan appellante te kennen gegeven voornemens te zijn haar ontslag te verlenen wegens ernstige mate van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van haar functie, als bedoeld in artikel 4.7, aanhef en onder g, van de CAO voor het Primair Onderwijs (CAO PO), subsidiair op grond van redenen van gewichtige aard als bedoeld in artikel 4.7, aanhef en onder k, van de CAO PO. Nadat appellante haar zienswijze naar voren had gebracht heeft het college bij besluit van 23 januari 2014 (bestreden besluit) overeenkomstig het voornemen beslist. Aan appellante is met ingang van

1 februari 2014 eervol ontslag verleend, waarbij is bepaald dat appellante na ontslag in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en een bovenwettelijke WW-uitkering tot 65-jarige leeftijd. Tevens is een outplacementtraject aangeboden.


1.5.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep. Het college heeft hiermee ingestemd en het bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift doorgestuurd naar de rechtbank.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft op hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Volgens vaste rechtspraak moet ongeschiktheid voor een functie zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist en worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen. Van ontslag wegens ongeschiktheid zal niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de betrokken ambtenaar op zijn functioneren is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld om dit te verbeteren. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1926.


4.2.

Appellante heeft in hoger beroep het standpunt van het college bestreden dat zij ongeschikt is voor haar functie. Wat betreft de door het college naar voren gebrachte kritiekpunten is volgens appellante vooral sprake van een verschil van inzicht, terwijl deze punten bovendien onvoldoende zijn om te kunnen spreken van ongeschiktheid voor haar functie van leerkracht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de gedingstukken komt naar voren dat sinds eind 2010 regelmatig met appellante is gesproken over tekortkomingen in haar functioneren, waarbij voldoende concrete voorbeelden zijn aangedragen. Samengevat blijkt uit de verslaglegging van deze gesprekken dat de klas van appellante rommelig is, dat zij de (voortgangs-)gegevens, doelen en toetsresultaten van haar leerlingen niet goed vastlegt, dat zij moeite heeft met het digitale systeem en het smartbord, dat de rapporten van haar leerlingen te laat worden ingeleverd, terwijl daar (spel-)fouten in staan, dat zij de groepsplannen niet op tijd aanlevert, dat zij onvoldoende samenwerkt met haar collega’s en dat zij onvoldoende bijdraagt aan het algemene functioneren van de organisatie. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat deze kritiekpunten zien op wezenlijke onderdelen van haar functie als leerkracht. Van een leerkracht LB kan worden vereist dat zij deze punten op orde heeft. Appellante heeft niet onderbouwd dat zij op de aangedragen punten wel naar behoren functioneerde. De enkele stelling dat dit zo is, is onvoldoende om dit aan te nemen.


4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat zij slecht kon opschieten met de nieuwe directrice van de school, dat zij ernstig van mening verschilden over de manier van werken met NT2-leerlingen en dat de directrice daarom een negatief en eenzijdig dossier tegen appellante heeft opgebouwd. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Uit de gedingstukken komt naar voren dat de directrice niet alleen stond in haar kritiek op het functioneren van appellante. In de gesprekken die met appellante zijn gevoerd waren ook altijd anderen aanwezig, zoals de adjunct-directeur of de intern-begeleider (IB-er). Hetzelfde geldt voor de klassenbezoeken en de bespreking daarvan, die de directrice samen met de adjunct-directeur uitvoerde. Ook heeft interne begeleiding plaatsgevonden door anderen dan de directrice. Onder deze omstandigheden kan niet staande worden gehouden dat het ontslag primair het gevolg is van de verstoorde verhoudingen tussen appellante en de directrice.


4.4.

In hoger beroep heeft appellante nog schriftelijke verklaringen ingebracht die betrekking hebben op het invalwerk dat zij sinds haar ontslag op enkele scholen heeft verricht. Uit deze verklaringen komt naar voren dat men kennelijk tevreden is over het invalwerk van appellante. Nu deze verklaringen echter niet zien op het functioneren van appellante in haar functie op de [school X.] in de periode hier van belang, kunnen deze verklaringen niet afdoen aan het vorenstaande.


4.5.

Voorts is de Raad, anders dan appellante, met de rechtbank van oordeel dat het college appellante voldoende in de gelegenheid heeft gesteld haar functioneren te verbeteren. Appellante is blijkens de gedingstukken in de loop der jaren herhaaldelijk aangesproken op de tekortkomingen in haar functioneren. Zij was wel degelijk op de hoogte van de kritiek daarop. Regelmatig werden, in verschillende samenstelling, gesprekken met appellante gevoerd, waarbij concrete werksituaties werden besproken, zodat appellante daaruit lering kon trekken. Meer dan eens is aangegeven dat van appellante verwacht werd dat haar functioneren op de aangegeven punten diende te verbeteren. Dat niet expliciet een plan van aanpak is opgesteld met een verbeterplan en te behalen doelstellingen, maakt dit niet anders.


4.6.

Evenmin kan staande worden gehouden dat appellante onvoldoende adequate hulp en begeleiding is geboden. Zo blijkt uit de gedingstukken dat appellante gedurende een half jaar interne begeleiding heeft gehad van de adjunct-directeur en de IB-er, dat zij door de directeur en de IB-er is geholpen bij het op een tijdige en juiste manier aanleveren van de rapporten en dat appellante hulp heeft gekregen bij het opruimen van haar klas. Deze begeleiding heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Appellante is voorts in het gesprek van 16 maart 2012 hulp aangeboden om door middel van cursussen haar computervaardigheden en haar kennis van het smartbord te vergroten. Uit het beoordelingsgesprek van 9 april 2013 blijkt dat de computervaardigheden nog altijd niet op orde zijn en dat appellante niet, zoals afgesproken, een cursus is gaan volgen. Hetzelfde geldt voor de groepsplannen die appellante wordt geacht op te stellen. Vanaf 2011 is appellante er meerdere keren op gewezen dat zij tijdig groepsplannen diende op te stellen. Op 25 april 2012 heeft een medewerkster van de schoolbegeleidingsdienst HCO samen met de directrice aan appellante uitgelegd hoe appellante deze groepsplannen kan opstellen, waarna afspraken zijn gemaakt over wanneer appellante welke groepsplannen maakt. Uit het beoordelingsgesprek van 9 april 2013 en schriftelijke informatie van de interne begeleiders blijkt echter dat de groepsplannen door appellante nog altijd niet tijdig en op het gewenste niveau worden aangeleverd. Dat appellante vindt dat voor NT2-leerlingen beter individuele plannen kunnen worden opgesteld - wat hier verder ook van zij - maakt niet dat zij niet tijdig groepsplannen hoefde op te stellen toen dat uitdrukkelijk van haar werd verlangd.


4.7.

Nu aan appellante meermalen aan de hand van concrete voorbeelden duidelijk is gemaakt op welke punten haar functioneren tekortschoot, zij in de loop van de jaren voldoende kansen heeft gekregen om haar functioneren te verbeteren en deze kansen niet heeft weten te benutten, was het college bevoegd aan appellante ongeschiktheidsontslag te verlenen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarbij is mede betrokken dat, zoals in het bestreden besluit is vermeld, appellante in aanmerking komt voor een WW-uitkering en bovenwettelijke uitkering tot haar 65-jarige leeftijd en aan appellante een outplacementtraject is toegekend.


4.8.

Op grond van wat onder 4.2 tot en met 4.7 is overwogen treft het hoger beroep geen doel. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en K.J. Kraan en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) S.W. Munneke




HD