Centrale Raad van Beroep, 08-10-2015 / 14/5836 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:3447

Inhoudsindicatie
Het bestuur was niet gehouden het tijdelijke dienstverband van appellant te verlengen. Formatieplan. Appellant was op de hoogte van de reële kans dat er voor hem als leraar zonder wettelijke lesbevoegdheid geen formatieruimte zou zijn in het komende schooljaar. Het bestuur had appellant persoonlijk willen informeren en betreurt dat dit bericht via een collega aan appellant bekend is geworden. Deze gang van zaken is echter niet dermate onzorgvuldig dat dit de conclusie rechtvaardigt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-08
Publicatiedatum
2015-10-13
Zaaknummer
14/5836 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/5836 AW

Datum uitspraak: 8 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 september 2014, 13/4926 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van de Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Amstelveen (bestuur)

PROCESVERLOOP

Op grond van een statutenwijziging op 11 juli 2014 is met ingang van 1 augustus 2014 in dit geschil het bestuur in de plaats getreden van de directie van de Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Amstelveen ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van het bestuur, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de directie verstaan.

Namens appellant heeft mr. F.E. de Neef, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. S.A. Geerdink een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Neef. Namens het bestuur zijn verschenen mr. Geerdink en

drs. W. Zoethout.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 5 september 2005 werkzaam bij het [college Z.] Van

1 augustus 2006 tot 1 augustus 2007 was appellant aangesteld in tijdelijke dienst als leraar zonder wettelijke lesbevoegdheid. Deze aanstelling is telkens verlengd voor de duur van een jaar, laatstelijk tot 1 augustus 2013. Tegen de (verlengde) aanstellingsbesluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.


1.2.

Bij besluit van 25 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 juli 2013 (bestreden besluit), heeft het bestuur aan appellant medegedeeld dat zijn tijdelijke aanstelling van rechtswege eindigt en niet wordt verlengd. Het bestuur heeft hieraan ten grondslag gelegd dat er vanwege een urentekort geen ruimte bestaat om appellant nog langer als onbevoegde docent een voortzetting van de aanstelling aan te bieden.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 9.b.1., eerste lid, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs 2011/2012 (CAO VO 2011/2012), eindigt een aanstelling voor bepaalde tijd van rechtswege zodra die tijd is verstreken.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 29 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3499) brengt de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld mee dat het bestuursorgaan die aanstelling na afloop van de gestelde termijn niet hoeft te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Dat is anders als er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, of het niet verlengen in strijd zou komen met ongeschreven recht.

4.3.

Het hoger beroep richt zich blijkens het verhandelde ter zitting uitsluitend nog tegen het oordeel van de rechtbank dat de gang van zaken rondom de communicatie over het vervallen van de uren voor het vak techniek en het overnemen van een aantal uren voor het vak handenarbeid, niet maakt dat het bestuur dermate onzorgvuldig heeft gehandeld dat het bestuur niet heeft mogen besluiten het tijdelijke dienstverband van appellant niet te verlengen. Appellant heeft betoogd dat het bestuur onzorgvuldig heeft gehandeld door hem niet duidelijk te maken dat hij niet opnieuw aangesteld zou worden als hij niet alle uren voor het vak handenarbeid wilde overnemen, maar slechts voor de eerste en tweede klassen. Het lag daarom op de weg van het bestuur om aan appellant een vertrekregeling aan te bieden. Appellant heeft in dit kader gewezen op de lange duur van zijn dienstverband.


4.4.

Uit de gedingstukken en uit de toelichting van het bestuur ter zitting blijkt dat jaarlijks, voorafgaand aan het opstellen van het formatieplan, de wensen van de docenten worden geïnventariseerd. Bij het opstellen van het formatieplan wordt vervolgens op basis van het aantal ingeschreven leerlingen en de bekostiging die een school vanuit het ministerie ontvangt, bezien of er voldoende formatieruimte is voor het aantal medewerkers dat is aangesteld, of er vakken komen te vervallen en wie voor welk vak in aanmerking komt. De geïnventariseerde wensen worden zoveel mogelijk gehonoreerd. Aan de hand hiervan wordt tevens beoordeeld of er nog ruimte bestaat om leraren zonder wettelijke lesbevoegdheid een tijdelijke aanstelling aan te bieden. Deze docenten ontvangen reeds in het voorjaar een brief

- de zogenaamde ‘mei-brief’ - waarin duidelijk wordt gemaakt dat de aanstelling van rechtswege eindigt. In de mei-brief is tevens vermeld dat over een verlenging van de aanstelling geen zekerheid kan worden geboden omdat de formatieve indicatoren voor het nieuwe schooljaar nog niet allemaal bekend zijn.


4.5.

Appellant heeft al in februari 2013 en dus voor de ‘mei-brief’ (het besluit van 25 april 2013) via een collega vernomen dat zijn uren voor het vak techniek in het schooljaar

2013-2014 zouden komen te vervallen, omdat deze collega weer zou worden ingezet op deze uren. Het bestuur heeft ter zitting medegedeeld dat het bestuur appellant hierover persoonlijk had willen informeren en betreurt dat dit bericht op deze wijze aan appellant bekend is geworden. Naar het oordeel van de Raad is deze gang van zaken echter niet dermate onzorgvuldig te achten dat dit de conclusie rechtvaardigt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Mede gelet op de onder 4.4 beschreven jaarlijkse gang van zaken, die door appellant niet is weersproken, was appellant op de hoogte van de reële kans dat er voor hem als leraar zonder wettelijke lesbevoegdheid geen formatieruimte zou zijn in het komende schooljaar. Onder deze omstandigheden mocht dan ook van appellant worden verwacht alerter te reageren op eventuele mogelijkheden om les te geven op een ander vakgebied. De omstandigheid dat het bestuur appellant niet heeft gewezen op de consequenties van het niet overnemen van het totaal aantal uren voor het vak handenarbeid voor de verlenging van zijn aanstelling, maakt dit niet anders. Het bestuur was dan ook niet gehouden het tijdelijke dienstverband van appellant te verlengen. Voor het standpunt van appellant dat aan een besluit als hier aan de orde een vertrekregeling dient te worden verbonden, is in de

CAO VO 2011/2012 geen grondslag te vinden.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2015.




(getekend) J.J.A. Kooijman




(getekend) S.W. Munneke




HD