Centrale Raad van Beroep, 25-09-2015 / 14-1241 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3460

Inhoudsindicatie
Beëindiging van een sinds november 1997 toegekende forfaitaire vervoerskostenvergoeding en toekenning van deelname aan het CVV, overgangstermijn van drie maanden. Standpunt college gebaseerd op advies van de MO-zaak, welk advies niet op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, concludent is en niet anderszins onjuist. De door appellante genoemde rapporten zien niet op de periode waarop de beëindiging betrekking heeft of bevatten geen medisch oordeel. De beëindiging is niet in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Het toekennen van CVV aan appellante kan worden aangemerkt als compensatie in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-25
Publicatiedatum
2015-10-13
Zaaknummer
14-1241 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1242 WMO

Datum uitspraak: 25 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 januari 2014, 13/2185 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de zaak 14/1223 WMO, plaatsgevonden op

15 juli 2015. Appelante is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T.M.H. Bindels-Counotte.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1

Appellante heeft beperkingen bij het gebruik van openbaar vervoer. Bij besluit van

16 februari 1998 is aan appellante in verband hiermee per 1 november 1997 voor onbepaalde tijd en met een voorbehoud van een heronderzoek een forfaitaire vervoerskostenvergoeding toegekend. Deze voorziening is na inwerkingtreding van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) op 1 januari 2007 voortgezet.


1.2.

Bij brief van 7 september 2012 heeft het college aan appellante meegedeeld dat een heronderzoek zal plaatsvinden naar de noodzaak van de toegekende vervoersvoorziening.


1.3.

Bij besluit van 28 december 2012 heeft het college appellante per 1 januari 2013 in aanmerking gebracht voor Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV). Daarbij is de forfaitaire vervoerskostenvoorziening, met inachtneming van een overgangstermijn van drie maanden, beëindigd. Bij dit besluit heeft het college het medisch advies van MO-zaak van

2 december 2012 betrokken. Volgens dit advies heeft appellante geobjectiveerde lichamelijke beperkingen, waardoor zij niet in staat is met het openbaar vervoer te reizen. Er is niet gebleken dat appellante geen gebruik zou kunnen maken van het CVV. Appellante wordt voorts in staat geacht zelfstandig met de auto te reizen.


1.4.

Het college heeft het tegen het besluit van 28 december 2012 gemaakte bezwaar bij besluit van 13 juni 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat er bij appellante, uitgaande van de ter beschikking staande gegevens, geen noodzaak bestaat tot het toekennen van een forfaitaire vervoerskostenvergoeding en dat appellante met deelname aan het CVV op adequate wijze in haar vervoersbehoefte moet kunnen voorzien. Appellante wist al enige tijd dat verweerder na de herbeoordeling tot beëindiging van de eerder verstrekte voorziening zou kunnen overgaan. Nu voorts een overgangstermijn van drie maanden is gehanteerd, heeft verweerder de zorgvuldigheid die vereist is bij het beëindigen van een al jarenlang verstrekte voorziening in acht genomen. De beëindiging is volgens de rechtbank niet in strijd met het rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel.


3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.


4.2.

De rechtbank is met juistheid tot de conclusie gekomen dat bij appellante geen noodzaak bestaat tot het langer toekennen van een forfaitaire vervoerskostenvergoeding en dat appellante met deelname aan het CVV op adequate wijze in haar vervoersbehoefte kan voorzien. Uit wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd volgt niet dat het advies van de MO-zaak, waarop het college zijn standpunt heeft gebaseerd, niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, niet concludent of anderszins onjuist is. De arts van de MO-zaak heeft appellante op het spreekuur gezien en heeft de van de huisarts verkregen informatie, die nader omschreven is in het advies van de MO-zaak van 1 juli 2015, in de beoordeling betrokken. De door appellante genoemde rapporten van de GGD van 10 maart 1997 en van psychiater prof. dr. H.G.M. Rooijmans en L.M. Kranenburg van 14 juni 1989 zien niet op de periode waarop de beëindiging betrekking heeft, zodat uit deze rapporten niet de conclusie kan worden getrokken dat het advies van de MO-zaak onjuist is. Appellante heeft verder nog gewezen op de stukken die op 15 juni 2015 zijn overgelegd in de zaak 14/1223 WMO van haar echtgenoot. Het college heeft deze stukken voorgelegd aan de MO-zaak. De MO-zaak heeft in het advies van 1 juli 2015 geconcludeerd dat deze stukken geen gevolgen hebben voor het eerder ten aanzien van appellante uitgebrachte advies. De Raad ziet geen aanleiding deze conclusie niet te volgen. In de op 15 juni 2015 overgelegde stukken is immers geen medisch oordeel opgenomen over appellante.


4.3.

De Raad verenigt zich voorts met het oordeel van de rechtbank dat het per 1 april 2013 beëindigen van de bij besluit van 16 februari 1998 toegekende forfaitaire vervoerskostenvergoeding niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.


4.3.1.

De omstandigheid dat appellante al lang in aanmerking komt voor een forfaitaire vervoerskostenvergoeding betekent niet dat het college niet bevoegd is om te onderzoeken of de noodzaak voor een dergelijke vergoeding nog steeds bestaat. Door in september 2012 een heronderzoek aan te kondigen en de forfaitaire vervoerskostenvergoeding per 1 april 2013 te beëindigen, heeft appellante voldoende tijd gehad om zich in te stellen op de (eventueel) veranderende situatie en heeft het college niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld.


4.3.2.

De individuele vervoerskostenvergoeding was toegekend voor onbepaalde tijd, maar in het besluit van 16 februari 1998 is expliciet op de mogelijkheid van een heronderzoek gewezen. Reeds gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat door het college het vertrouwen is gewekt dat de forfaitaire vergoeding gecontinueerd zou worden, zelfs als uit een onderzoek zou blijken dat daarop geen recht meer bestaat.


4.4.

Met betrekking tot het betoog van appellante dat zij door het beëindigen van de forfaitaire vervoersvoorziening niet meer in staat is haar auto te bekostigen, overweegt de Raad dat dit er niet toe leidt dat het toekennen van CVV voor appellante niet kan worden aangemerkt als compensatie in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Er is daarom geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.A. Boersma en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) J.R. van Ravenstein




AP