Centrale Raad van Beroep, 05-10-2015 / 15/2399 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3466

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Bezit onroerend goed in het buitenland. Zorgvuldig onderzoek
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-05
Publicatiedatum
2015-10-13
Zaaknummer
15/2399 WWB
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/2399 WWB, 15/2495 WWB-VV

Datum uitspraak: 5 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2015, 15/288 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van

13 april 2015

Partijen:

[verzoeker] (verzoeker) en [verzoekster] (verzoekster) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekers heeft mr. J.A. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Tevens is een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2015. Namens verzoekers is verschenen mr. P.R. Rojer, kantoorgenoot van mr. Van den Berg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. Met partijen is afgesproken dat verzoekers uiterlijk

29 mei 2015 een schriftelijke machtiging afgeven om het college in de gelegenheid te stellen nader onderzoek uit te (laten) voeren.

Verzoekers hebben nadere stukken ingebracht.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2015. Namens verzoekers is verschenen mr. Van den Berg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Verzoekers ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 22 november 2013 dat verzoekers een woning in Marokko bezitten, heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verzocht een onderzoek in te stellen naar het vermogen van verzoekers in het buitenland. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Rabat van 11 juni 2014.


1.3.

Bij besluit van 29 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 december 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van verzoekers met ingang van

25 augustus 2014 ingetrokken. Hieraan ligt ten grondslag dat verzoekers de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te doen van het bezit van een woning in [D.] , Marokko. Als gevolg hiervan en gelet op de omstandigheid dat verzoekers niet hebben voldaan aan het verzoek om bewijsstukken over te leggen kan het recht op bijstand met ingang van 25 augustus 2014 niet worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, het volgende overwogen. Hoewel ook in het nadere bericht van het IBF van 5 maart 2015 de namen van de buitendienstmedewerkers van het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Marokko - die het onderzoek ter plaatse hebben uitgevoerd - niet zijn genoemd, is naar het oordeel van de rechtbank met de vermelding van hun initialen in evengenoemd bericht alsmede de mededeling dat de naam van de [X.] bij het IBF bekend is en in het dossier opgenomen is voldaan aan de eisen van verifieerbaarheid en controleerbaarheid die aan het onderzoek naar het vermogen in het buitenland gesteld kunnen worden. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verzoekers een woning in Marokko bezitten en dat vaststaat dat zij het bezit van die woning niet hebben gemeld. Hiertoe heeft de rechtbank ook van belang geacht dat de [X.] uit zichzelf de naam van verzoekster heeft genoemd en dat hij heeft verklaard vaker aan verzoekers een woonverklaring te hebben afgegeven.


3. Verzoekers hebben verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het recht op bijstand met ingang van 25 augustus 2014 (datum intrekking) wordt hersteld.


4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.


4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.


4.4.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 25 augustus 2014 tot en met

29 september 2014.


4.5.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.6.

Verzoekers bestrijden dat zij een woning in Marokko in bezit hebben, waarvan zij melding hadden moeten doen bij het college. De onderzoeksbevindingen van het IBF waarop het college zich heeft gebaseerd en waarop het oordeel van de rechtbank steunt is onvoldoende controleerbaar en verifieerbaar. Zo is nog altijd geen sprake van een op ambtseed of ambtsbelofte opgestelde verklaring door de attaché, is sprake van een niet bij naam genoemde [X.] en zijn de door de [X.] alsmede door de buurtbewoners afgelegde verklaringen niet ondertekend.

4.7.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De voorzieningenrechter onderschrijft het oordeel van de rechtbank, zoals weergegeven onder 2, dat sprake is van een voldoende verifieerbaar en controleerbaar onderzoek. Dat het door de Attaché voor Sociale Zaken ondertekende rapport van het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Rabat van 11 juni 2014 niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgesteld, maakt dat niet anders. Ter zitting is namens het college bovendien genoegzaam toegelicht dat omwille van veiligheidsredenen de (volledige) namen van de buitendienstmedewerkers en de [X.] niet bekend zijn gemaakt. De voorzieningenrechter onderschrijft eveneens het oordeel van de rechtbank, zoals weergegeven onder 2, dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verzoekers een woning in Marokko bezitten. In dit verband wordt verder nog opgemerkt dat de [X.] ook heeft verklaard dat de woning van verzoekers ongeveer 15 jaar geleden is gebouwd, dat hij verzoeker zeer goed kent vanwege afgegeven woonverklaringen in het verleden, dat hij de ID-kaart van verzoeker twee jaar geleden heeft verlengd, dat hij de naam van verzoekster kende alsmede wist waar zij geboren was en verzoekers heeft herkend van de hem getoonde foto’s. De anonieme getuigenverklaringen, waaruit blijkens evengenoemd rapport onder meer ook volgt dat verzoekers sinds ongeveer 15 jaar een woning bezitten in [D.] , zijn ondersteunend aan de verklaring van de [X.]. Aan de grond van verzoekers dat niet bekend is wie de gehoorde buurtbewoners zijn wordt voorbijgegaan, omdat ook zonder die verklaringen aannemelijk is dat verzoekers een woning in Marokko bezitten.


4.8.

Verzoekers zijn in de gelegenheid gesteld een machtiging over te leggen teneinde het college in staat te stellen de stelling van verzoekers te verifiëren dat de [X.] nimmer een woonverklaring heeft afgegeven. Een dergelijke machtiging is door verzoekers niet overgelegd. Aan verzoekers is voorts gevraagd naar een kopie van hun volledige paspoorten

- teneinde te verifiëren wanneer verzoekers voor het laatst naar Marokko zijn geweest - en vervolgens, nadat verzoekers hebben verklaard hun paspoorten niet meer in bezit te hebben, om een aangiftebewijs van diefstel van de paspoorten. Aan dit verzoek hebben zij evenmin voldaan. Niet is gebleken dat verzoekers niet in staat zouden zijn een dergelijke machtiging af te geven. Verzoekers hebben in hoger beroep wel een in de Franse taal opgesteld attest van het Marokkaanse ministerie van Financiën overgelegd, gedagtekend 1 september 2015, waaruit zou moeten blijken dat door verzoekers geen belasting wordt betaald over het bezit van onroerende zaken. Nog daargelaten welke betekenis hieraan kan worden toegekend - uit het door het college ter zitting overgelegde bericht van het IBF van 17 september 2015 blijkt dat bewoners van niet-stedelijke gebieden in Marokko - waarvan in het onderhavige geval sprake zou zijn - niet worden aangeslagen voor onroerendgoedbelasting - wordt niet betwist dat het attest niet ziet op de hier te beoordelen periode.


4.9.

Uit 4.6 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van

R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) R.G. van den Berg




HD