Centrale Raad van Beroep, 21-09-2015 / 13/5391 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3476

Inhoudsindicatie
Intrekking of herziening van een aoh-uitkering met terugwerkende kracht is in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, tenzij de inlichtingenverplichting niet is nagekomen bijvoorbeeld. Beleidsregels 2006 van toepassing. Ingeval van een belastend besluit rust op het Uwv de verplichting om de feiten te stellen en ze aannemelijk te maken. De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat het Uwv de uitkering van appellante met terugwerkende kracht mocht intrekken. Ziekte voorgewend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-21
Publicatiedatum
2015-10-12
Zaaknummer
13/5391 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5391 WIA

Datum uitspraak: 21 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

6 september 2013, 12/1616 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

De erven en of rechtverkrijgenden van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. B. Kaya hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 december 2013 heeft mr. Kaya bericht dat betrokkene onlangs is overleden. Mr. Kaya heeft de procedure voortgezet namens de erven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2015. Voor de erven is niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene, van beroep controleur, is op 31 oktober 2009 uitgevallen met psychische klachten. Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering met verkorte wachttijd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant door een verzekeringsarts van het Uwv op zijn spreekuur gezien.


1.2.

De verzekeringsarts heeft als verslag van zijn onderzoek van betrokkene gerapporteerd dat het, ondanks herhaalde pogingen daartoe, niet mogelijk was om contact met betrokkene te krijgen. Betrokkene vertoonde bizar gedrag. Een neef van betrokkene voerde het woord voor hem en bevestigde het bizarre en ernstig afwijkend gedrag van betrokkene in de thuissituatie.


1.3.

Als informatie uit de behandelend sector heeft de verzekeringsarts in zijn rapport de brieven van de behandelend psychiater J.P.M. Gerards van 30 mei en 21 september 2010 vermeld en de daarin genoemde diagnoses depressieve stoornis, eenmalige episode, ernstig met psychotische kenmerken, angststoornis NAO, respectievelijk, schizofrenie van het katakone type. Ook telefonisch heeft Gerards de verzekeringsarts bevestigd dat bij betrokkene sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis die na voortschrijdend inzicht door hem is gediagnosticeerd als schizofrenie waarbij prognostisch geen verbeteringen te verwachten zijn.


1.4.

De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 4 oktober 2010 geconstateerd dat de medische gegevens verkregen bij anamnese en onderzoek voldoende consistent en plausibel zijn en de conclusie rechtvaardigen dat bij betrokkene sprake is van een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld met persoonlijk en sociaal disfunctioneren. Betrokkene heeft derhalve geen benutbare mogelijkheden. Nu verbetering is uitgesloten omdat sprake is van een progressief ziektebeeld waarbij behandeling niet tot herstel zal leiden, is sprake van duurzame arbeidsbeperkingen.


1.5.

Bij besluit van 13 oktober 2010 is aan betrokkene met ingang van 17 november 2010 een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) toegekend.


2.1.

Op 29 augustus 2011 heeft een inspecteur van de directie Handhaving-Uitvoering van het Uwv aan appellant een uitnodiging uitgereikt om op 16 september 2011 te verschijnen bij een verzekeringsarts van het Uwv. Appellant is op die datum gezien op het spreekuur van een regionaal stafverzekeringsarts van het Uwv. In het medische onderzoeksverslag van de verzekeringsarts is te lezen dat het onderzoek een professionele herbeoordeling in het kader van de Wet WIA betreft en dat de aanleiding voor die herbeoordeling (mede) is gelegen in het feit dat “uit justitiële gegevens is gebleken dat een behandelaar van cliënt mogelijk ondeugdelijke medische informatie heeft verstrekt over de medische toestand van

UWV-cliënten, al dan niet met medeweten en/of medewerking van de betreffende cliënten en derden”. De verzekeringsarts heeft een expertise opgevraagd bij psychiater J.H.M. van Laarhoven.


2.2.

Psychiater van Laarhoven heeft in zijn rapport van 20 oktober 2011, als bevinding van zijn op 13 oktober 2011 bij betrokkene uitgevoerde onderzoek geconcludeerd dat geen sprake is van psychiatrische pathologie, zoals een psychische stoornis, een stemmingsstoornis of een angststoornis. Volgens Van Laarhoven is sprake van acting crazy ofwel simulatie. Van Laarhoven heeft verder in zijn rapport te kennen gegeven dat de waarnemingsstoornissen van betrokkene gemeld worden door vrijwel alle uitkeringsgerechtigden waarvan de uitkering door het Uwv wordt herbeoordeeld in het kader van het onder 1.3 genoemde onderzoek. In dat verband heeft Van Laarhoven in zijn rapport geconstateerd dat de stoornissen passen in het referentiekader van bepaalde bevolkingsgroepen en geen psychopathologische betekenis hebben.


2.3.

De stafverzekeringsarts concludeert in zijn rapport van 27 oktober 2011, op grond van onder meer eigen onderzoek en de onafhankelijke expertise dat appellant vanaf 2009 de klachten van een psychotische stoornis volledig heeft gesimuleerd.


3.1.

Bij besluit van 7 november 2011 heeft het Uwv het besluit van 13 oktober 2010 tot toekenning aan betrokkene van een IVA-uitkering per 17 november 2010 ingetrokken. Het Uwv heeft overwogen de belastbaarheid van betrokkene destijds op verkeerde gronden te hebben vastgesteld, mede als gevolg van het door betrokkene onjuist dan wel onvolledig weergeven van zijn gezondheidstoestand. Beslist is dat betrokkene met ingang van

17 november 2010 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij naar het oordeel van de verzekeringsarts met ingang van die datum het werk dat betrokkene deed voordat hij ziek werd weer kan hervatten. Bij besluit van 17 november 2011 heeft het Uwv een bedrag van

€ 23.937,33 aan onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 17 november 2010 tot en met 31 oktober 2011 van betrokkene teruggevorderd.


3.2.

In bezwaar tegen de besluiten van 7 en 17 november 2011 heeft betrokkene een expertiserapport ingebracht van psychiater Y. Güzelcan. In zijn rapport van 27 december 2011 komt Güzelcan op basis van onderzoek tot de conclusie dat hij het met de verzekeringsarts eens is dat betrokkene niet schizofreen is. Güzelcan stelt echter bij betrokkene wel de diagnose depressieve stoornis en paniekstoornis. De klachten van betrokkene zijn heel ernstig. Hij heeft verdere farmacotherapie en klinische dagbehandeling nodig. Met deze klachten kan hij naar het oordeel van Güzelcan vooralsnog geen werk verrichten.


3.3.

De verzekeringsarts in bezwaar en beroep heeft het oordeel van de stafverzekeringsarts onderschreven en daarbij geconcludeerd dat het rapport van Güzelcan deels een onderbouwing vormt van de conclusie van Van Laarhoven dat sprake is van simulatie. Bij besluit van 24 april 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat betrokkene ten tijde van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 4 oktober 2010 de verzekeringsarts door handelen en presentatie onjuist heeft geïnformeerd over zijn medische situatie. Het door betrokkene opgeroepen beeld, bevestigd door de informatie van psychiater Gerards, heeft tot gevolg gehad dat betrokkene ten onrechte volledig en duurzaam arbeidsongeschikt werd geacht.


4. Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


5.1.

Op verzoek van de rechtbank heeft de deskundige D.H.J. Boeykens, zenuwarts te Tilburg, betrokkene onderzocht en van zijn bevindingen in een uitvoerig en gemotiveerd rapport van 20 maart 2013 aan de rechtbank verslag uitgebracht. Boeykens heeft op grond van dat onderzoek, waaronder ook resultaten van door betrokkene afgelegde testen, op de aan hem door de rechtbank gestelde vragen geantwoord dat bij betrokkene sprake is van simulatie. Er bestaan bij betrokkene spanningsklachten en depressieve klachten, maar er is niet de minste aanwijzing voor een psychotisch proces, noch in de zin van een psychotische depressie, noch in de zin van een schizofrenie. Evenmin kan sprake zijn van ernstige recidiverende depressies, omdat het klachtenpatroon van betrokkene hiervoor te inconsistent is en er bovendien een discrepantie bestaat tussen de ernst van de geuite klachten en de beleving ervan.


5.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe als eerste verwezen naar de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv. Aan het rapport van psychiater Güzelcan hecht de rechtbank weinig waarde, omdat Güzelcan naar het oordeel van de rechtbank in zijn rapport, op vragen betreffende mogelijke simulatie door betrokkene, herhaald ontwijkend heeft geantwoord. Het rapport van psychiater Van Laarhoven acht de rechtbank mogelijk gekleurd, gelet op de uitlatingen van Van Laarhoven over de waarnemingsstoornissen van betrokkene in relatie tot bevindingen in soortgelijke zaken. De rechtbank heeft overwogen dat het door Boeykens verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest en dat de conclusies van de deskundige op inzichtelijke en overtuigende wijze aan de hand van de onderzoeksbevindingen zijn onderbouwd. De rechtbank volgt betrokkene niet in diens stelling dat Boeykens geen onpartijdig en onafhankelijk onderzoek kan verrichten omdat hij in hetzelfde ziekenhuis werkzaam is als van Laarhoven. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen de aanzienlijke omvang van het ziekenhuis waar beide psychiaters werken en de omstandigheid dat beide psychiaters niet binnen het samenwerkingsverband van een maatschap opereren.


6. In hoger beroep heeft betrokkene volstaan met te verwijzen naar de gronden van beroep bij de rechtbank.


7. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Toetsingskader: algemeen


7.1.1.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA moet een verzekerde, die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie verstrekken, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling daarvan.


7.1.2.

In artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv beschikkingen op grond van deze wet herziet of intrekt, indien:

a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld; (…)

c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Op grond van het derde lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.


7.1.3.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA dient het Uwv een uitkering die onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Op grond van het vierde lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.


7.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2011) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.


7.3.

Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van het Uwv van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230, bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.


7.4.

Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook - in het geval van betwisting - die feiten aannemelijk te maken (zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:1295).


Wat is in dit geval gesteld?


7.5.

Het standpunt van het Uwv komt er in de kern op neer dat met ingang van 17 november 2010 ten onrechte WIA-uitkering aan betrokkene is verstrekt. Met het rapport van de stafverzekeringsarts van 27 oktober 2011 is komen vast te staan dat betrokkene vanaf

31 oktober 2009 onverminderd in staat is geweest zijn eigen werk als controleur en inpakker te verrichten en tevens dat betrokkene zijn arbeidsongeschiktheid van meet af aan heeft voorgewend, in verband waarmee hem het verwijt treft dat hem ten onrechte uitkering is verstrekt als gevolg van schending van de in artikel 27 van de Wet WIA neergelegde informatieverplichting.



Ten onrechte uitkering verstrekt?


7.6.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat de Raad het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijk deskundige volgt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot het maken van een uitzondering op de regel.


7.7.

In dit geval bestaat geen aanleiding om af te wijken van deze hoofdregel. Het rapport van de deskundige Boeykens is zorgvuldig tot stand gekomen, consistent en naar behoren gemotiveerd. Daarbij is niet gebleken van aanknopingspunten om te twijfelen aan de neutraliteit en de onpartijdigheid van deze psychiater. Met het rapport van Boeykens is in genoegzame mate buiten twijfel gesteld dat betrokkene op 17 november 2010 in staat was loonvormende arbeid te verrichten en voorts dat hem het verwijt treft van meet af aan bij de medische onderzoeken die uiteindelijk hebben geleid tot toekenning aan hem van uitkering met ingang van 17 november 2010, de onderzoekende artsen bewust te hebben misleid door, zowel in de presentatie van zijn klachten als met de over hem door Gerards verstrekte en onjuist gebleken inlichtingen, een ernstige psychiatrische ziekte voor te (doen) wenden. De Raad stelt zich tevens achter het standpunt van het Uwv dat de verstrekking van uitkering aan betrokkene in een rechtstreeks oorzakelijk verband moet worden gezien met zijn simulatie en dat daarom moet worden gezegd dat, nu geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, daardoor ten onrechte aan hem uitkering is verstrekt.


7.8.

Uit hetgeen hiervoor onder 7.5 tot en met 7.7 is overwogen volgt dat de Raad zich aansluit bij het oordeel van de rechtbank dat het Uwv de uitkering van appellante met terugwerkende kracht per 17 november 2010 mocht intrekken en de onverschuldigd betaalde uitkering mocht terugvorderen. Door ziekte voor te wenden had appellante immers redelijkerwijs kunnen weten dat zij ernstig rekening diende te houden met een dergelijke intrekking. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake.


7.9.

Uit hetgeen onder 7.1 tot en met 7.8 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) V. van Rij




NK