Centrale Raad van Beroep, 21-09-2015 / 13/5388 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:3477

Inhoudsindicatie
Toetsingskader, vaste rechtspraak m.b.t. intrekking of herziening van een aoh-uitkering met terugwerkende kracht, Beleidsregels 2006, belastend besluit. De rechtbank heeft terecht het oordeel van een door haar ingeschakelde onafhankelijk deskundige gevolgd, nu in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die tot afwijking nopen. De Raad stelt zich achter het standpunt van het Uwv dat de verstrekking van de uitkering in een rechtstreeks oorzakelijk verband moet worden gezien met haar simulatie, waardoor geen sprake was van arbeidsongeschiktheid. Daardoor is ten onrechte aan haar een uitkering vertrekt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-21
Publicatiedatum
2015-10-13
Zaaknummer
13/5388 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5388 WAO

Datum uitspraak: 21 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 september 2013, 12/1615 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2015. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was werkzaam als aardappelsorteerster voor ruim 36 uur per week. Zij is per 3 februari 1999 uitgevallen wegens psychische klachten als reactie op ernstige ziekte van haar kind. Met ingang van 2 februari 2000 is aan appellante een uitkering verstrekt op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Een herbeoordeling heeft ertoe geleid dat de WAO-uitkering van appellante met ingang van 6 december 2005 is herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De beslissing op bezwaar waarbij het bezwaar tegen dit herzieningsbesluit ongegrond is verklaard, is vernietigd bij uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 mei 2007, waarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.


1.2.

Bij brieven van 27 april en 26 november 2009 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. De verzekeringsarts van het Uwv heeft appellante in dit verband gezien op het spreekuur. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 2 november 2010 geconcludeerd dat bij appellante met ingang van 21 april 2009 niet gesproken kan worden van duurzaam benutbare mogelijkheden als rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte en/of gebrek. De verzekeringsarts heeft dit oordeel gebaseerd op eigen psychisch onderzoek van appellante tijdens het spreekuur, informatie van een achternicht van appellante die tijdens het spreekuur voor appellante het woord heeft gevoerd en de brief van behandelend psychiater J.P.M. Gerards van 21 april 2009, waarin deze stelt dat bij appellante sprake is van een recidiverende ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken. Vervolgens is de WAO-uitkering van appellante per 27 april 2009 herzien en vastgesteld op basis van volledige arbeidsongeschiktheid.


1.3.

Vervolgens is appellante uitgenodigd om op 16 september 2011 in het kader van een heronderzoek als onderdeel van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling te verschijnen op het spreekuur van de regionale stafverzekeringsarts van het Uwv. De aanleiding voor die herbeoordeling is volgens het onderzoeksverslag van de regionaal stafverzekeringsarts gelegen in het feit dat uit justitiële gegevens is gebleken dat een behandelaar van appellante mogelijk ondeugdelijke medische informatie heeft verstrekt over de medische toestand van UWV-cliënten, al dan niet met medeweten en/of medewerking van de betreffende cliënten en derden. De verzekeringsarts heeft in dit verband een expertise opgevraagd bij psychiater J.H.M. van Laarhoven.


1.4.

Psychiater van Laarhoven heeft in zijn rapport van 20 oktober 2011 geconcludeerd dat het gedrag van appellante tijdens het onderzoek niet is te duiden in het kader van grande psychiatrie. Hij gelooft niet dat sprake is van een psychotische stoornis, een stemmingsstoornis of een angststoornis en acht appellante niet om medische redenen buiten staat om de verzekeringsarts een volledig en juist beeld te geven van haar klachten en belemmeringen.


1.5.

De regionaal stafverzekeringsarts van het Uwv heeft in het rapport van 30 oktober 2011 geconcludeerd dat geen sprake is van een classificeerbare diagnose en dat geen sprake is van beperking van de mogelijkheden om te functioneren als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. Appellante wordt vanaf haar melding toegenomen arbeidsongeschiktheid als normaal belastbaar beschouwd.


1.6.

Bij besluit van 7 november 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 27 april 2009 geen WAO-uitkering toekomt omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 17 november 2011 heeft het Uwv over de periode van 27 april 2009 tot en met 30 september 2011 een bedrag van € 38.810,01 aan onverschuldigd betaalde uitkering van appellante teruggevorderd.


2.1.

In bezwaar beroept appellante zich onder meer op een door haar ingebracht expertiserapport van 27 december 2011 van psychiater Y. Güzelcan, waarin deze concludeert dat bij appellante ten tijde in geding sprake was van een ernstige eenmalige depressieve stoornis zonder psychotische kenmerken en een somatoforme stoornis.


2.2.

Bij besluit van 24 april 2012 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 7 en 17 november 2011 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zijn besluit onder meer op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 maart 2012 gebaseerd, waarin deze heeft geconcludeerd dat de nieuw ingebrachte informatie bevestigt dat geen sprake was van een dermate ernstig pathologisch beeld als eerder werd voorgewend. De wisselende presentatie van appellante bij de diverse deskundigen maakt het toestandsbeeld van appellante minder aannemelijk. Op basis van de informatie acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep de verergering van de klachten van appellante tot het niveau zoals gepresenteerd in 2009 niet aannemelijk.


3. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.


4.1.

Op verzoek van de rechtbank heeft de deskundige D.H.J. Boeykens, zenuwarts te Tilburg, appellante onderzocht en van zijn bevindingen aan de rechtbank verslag uitgebracht. Boeykens komt tot de conclusie dat van een psychiatrisch toestandsbeeld als dusdanig niet kan worden gesproken. Het klinisch onderzoek is compatible met simulatie en ook de SIMS-test wees uitdrukkelijk naar simulatie, aldus het rapport van Boeykens. Verder vermeldt hij dat het buiten kijf is dat er bij appellante sprake is van depressieve klachten, zeker in het verleden, maar er zijn te weinig argumenten om te kunnen spreken van een depressieve stoornis. Evenmin kon een somatoforme stoornis worden vastgesteld. Appellante was niet om medische redenen buiten staat om de verzekeringsartsen een volledig en juist beeld te geven van haar klachten en belemmeringen.


4.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad waarin besloten ligt dat het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel dient te worden gevolgd tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die tot uitzondering op dit beginsel nopen. De rechtbank overweegt dat het onderzoek van Boeykens volledig en zorgvuldig is geweest, dat zijn conclusies op inzichtelijke en overtuigende wijze aan de hand van de onderzoeksbevindingen zijn onderbouwd en dat de bevindingen van Boeykens niet overtuigend zijn weersproken door appellante. In de omstandigheid dat Boeykens en Van Laarhoven in hetzelfde ziekenhuis werken ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het deskundigenadvies van Boeykens niet objectief en onafhankelijk tot stand zou zijn gekomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat Boeykens en Van Laarhoven werkzaam zijn in een ziekenhuis van aanzienlijke omvang en dat zij niet binnen het samenwerkingsverband van een maatschap opereren. Van enige schijn van partijdigheid of vooringenomenheid is de rechtbank niet gebleken.


5. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden aangevoerd en verwezen naar de in beroep aangevoerde gronden.


6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Toetsingskader: algemeen


6.1.1.

Op grond van artikel 80, eerste lid, van de WAO - zoals die bepaling luidde ten tijde in geding - is degene die in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering verplicht aan het Uwv, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald.


6.1.2.

In artikel 36a, eerste lid, van de WAO is bepaald dat het Uwv een beschikking tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering herziet of intrekt:

(…)

b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;

c. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

d. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.


6.1.3.

Op grond van artikel 57, eerste lid van de WAO, wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv van de belanghebbende teruggevorderd. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.


6.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2011) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.


6.3.

Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van het Uwv van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230, bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.


6.4.

Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook - in het geval van betwisting - die feiten aannemelijk te maken (zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:1295).


Wat is in dit geval gesteld?


6.5.

Het standpunt van het Uwv komt er in de kern op neer dat met ingang van 27 april 2009 ten onrechte WAO-uitkering aan appellante is verstrekt. Met het rapport van de stafverzekeringsarts van 30 oktober 2011 is komen vast te staan dat appellante op 27 april 2009 in staat was om loonvormende arbeid te verrichten en tevens dat appellante haar arbeidsongeschiktheid van meet af aan heeft voorgewend, in verband waarmee haar het verwijt treft dat haar ten onrechte uitkering is verstrekt als gevolg van schending van de in artikel 80 van de WAO neergelegde informatieplicht.


Ten onrechte uitkering verstrekt?


6.6.

De rechtbank heeft terecht verwezen naar vaste jurisprudentie waaruit volgt dat de bestuursrechter het oordeel van een door haar ingeschakelde onafhankelijk deskundige volgt, tenzij bijzondere omstandigheden tot afwijking nopen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het rapport van de deskundige Boeykens is zorgvuldig tot stand gekomen, consistent en naar behoren gemotiveerd. De overweging, waarin de rechtbank het beroep van appellante op het ontbreken van onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de deskundige heeft verworpen, acht de Raad overtuigend. Met het rapport van Boeykens is buiten twijfel gesteld dat appellante op 27 april 2009 in staat was om loonvormende arbeid te verrichten en voorts dat haar het verwijt treft bij de medische onderzoeken die hebben geleid tot de herziening van haar uitkering in april 2009, de onderzoekende artsen bewust te hebben misleid door, zowel in de presentatie van haar klachten als met de door psychiater Gerards over haar verstrekte en onjuist gebleken inlichtingen, een ernstige psychiatrische ziekte voor te wenden. De Raad stelt zich achter het standpunt van het Uwv dat de verstrekking van de uitkering aan appellante in een rechtstreeks oorzakelijk verband moet worden gezien met haar simulatie en dat derhalve moet worden gezegd dat, nu geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, daardoor ten onrechte aan haar een uitkering is verstrekt.


6.7.

Uit hetgeen hiervoor onder 6.5 en 6.6 is overwogen volgt dat de Raad zich aansluit bij het oordeel van de rechtbank dat het Uwv de uitkering van appellante met terugwerkende kracht per 27 april 2009 mocht intrekken en de onverschuldigd betaalde uitkering mocht terugvorderen. Door ziekte voor te wenden had appellante immers redelijkerwijs kunnen weten dat zij ernstig rekening diende te houden met een dergelijke intrekking. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake.


6.8.

Uit hetgeen onder 6.1 tot en met 6.7 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en G. van Zeben- de Vries als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) V. van Rij




NK