Centrale Raad van Beroep, 02-10-2015 / 13/5739 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:3482

Inhoudsindicatie
Beëindiging ziekengeld. In de situatie van appellante is het werk als productiemedewerker levensmiddelen voor 24 uur per week, waarbij werk in wisselende diensten voorkomt, de maatstaf “zijn arbeid”. De maatstaf “zijn arbeid” is eerst in hoger beroep op juiste wijze vastgesteld. Bij het ontbreken van een duidelijke lichamelijke afwijking die de klachten van appellante verklaart, bestaat er geen strikte contra-indicatie voor het werk in wisselende diensten. De verzekeringsarts concludeert dan ook dat appellante in staat is haar maatgevende arbeid te verrichten. Er zijn geen aanknopingspunten om dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-02
Publicatiedatum
2015-10-13
Zaaknummer
13/5739 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5739 ZW

Datum uitspraak: 2 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

13 september 2013, 12/1770 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015. Namens appellante is

mr. Verkoeijen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het Uwv heeft een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 4 juni 2015 en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 juli 2015 overgelegd.

Bij brief van 10 augustus 2015 is namens appellante op deze rapporten gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam via Tempo Team geweest als

[naam functie A] bij [naam werkgever] voor 24 uur per week. Vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft zij zich op

26 september 2011 ziek gemeld met buik- en darmklachten. Aan appellante is naar aanleiding van deze ziekmelding per 18 oktober 2011 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. In het kader van deze ziekmelding is appellante verschillende keren

gezien op het spreekuur van een arts van het Uwv, laatstelijk op 2 augustus 2012. Op grond van zijn bevindingen en informatie van de behandelend maag-darm-leverarts (MDL-arts) heeft de verzekeringsarts appellante per 1 september 2012 hersteld verklaard voor haar arbeid van [naam functie A]. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv het recht op ziekengeld met ingang van 1 september 2012 beëindigd.

1.3. Bij besluit van 29 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 september 2012 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het bestreden besluit doen rusten op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 oktober 2012.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de artsen van het Uwv. De rechtbank heeft, mede gelet op het feit dat appellante geen medische informatie heeft overgelegd waaruit volgt dat zij naar objectieve maatstaven niet in staat is tot het verrichten van haar arbeid, geen aanknopingspunten gevonden om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Deze arts heeft naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd dat appellante met haar klachten haar werk als [naam functie A] kan verrichten. Dat appellante nog onder behandeling staat is onvoldoende om te concluderen dat zij niet in staat is tot het verrichten van haar arbeid. Appellante heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat zij in wisselende diensten werkte. Daarbij is van belang dat zij ter zitting heeft verklaard dat werk in wisselende diensten slechts sporadisch voorkwam. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Uwv appellante per 1 september 2012 terecht hersteld heeft verklaard voor haar arbeid.

3.1. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij als gevolg van haar psychische klachten niet in staat is om haar arbeid te verrichten. Vanwege complexe psychische problematiek is zij door haar huisarts verwezen naar psychologische hulp in de tweede lijn. Voorts heeft appellante aangevoerd dat in haar werk wisselende diensten voorkomen, die op grond van het advies van de behandelend MDL-arts J. Potjewijd, zoals verwoord in de in bezwaar overgelegde brief van 4 juni 2012, niet zijn toegestaan. Ter onderbouwing van het standpunt dat werk in wisselende diensten voorkwam, heeft appellante een aantal salarisspecificaties ingezonden. Appellante heeft erop gewezen dat uit deze specificaties blijkt dat zij regelmatig een toeslag voor het werken in ploegendienst heeft ontvangen.

3.2. Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.2. Naar aanleiding van de door appellante in hoger beroep ingezonden salarisspecificaties heeft het Uwv nader onderzoek verricht ter beantwoording van de vraag of in de functie van appellante werk in wisselende diensten voorkomt. In het rapport van 4 juni 2015 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat bij [naam werkgever] werk in vroege en late diensten voorkomt, waarbij de tijden waarop deze diensten starten kunnen wisselen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis hiervan geconcludeerd dat in het werk van appellante als productiemedewerker levensmiddelen wisselende diensten voorkwamen. Op grond van deze conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in de situatie van appellante het werk als productiemedewerker levensmiddelen voor 24 uur per week, waarbij werk in wisselende diensten voorkomt, de maatstaf “zijn arbeid”.

4.3. Uit 4.2 volgt dat de maatstaf “zijn arbeid” eerst in hoger beroep op juiste wijze is vastgesteld. Dit leidt tot de conclusie dat het Uwv bij zijn besluitvorming een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, komen daarom voor vernietiging in aanmerking. Beoordeeld zal worden of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4.4. Naar aanleiding van het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

4 juni 2015 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv onderzocht of appellante op 1 september 2012 in staat was de maatgevende arbeid, waarbij werk in wisselende diensten voorkomt, te verrichten. In het rapport van 7 juli 2015 heeft deze arts toegelicht dat appellante klachten van het maagdarmstelsel heeft. Verder heeft appellante psychische problemen, waarvoor zij rond de datum in geding werd verwezen naar GGZ. De eerste gesprekken bij GGZ hebben in november 2012 plaatsgevonden en de daadwerkelijke begeleiding is in januari 2013 gestart. Op de datum in geding gebruikte appellante geen psychofarmaca. Voorts blijkt uit de informatie van de huisarts dat de psychische klachten van appellante al langer bestonden. Appellante is met die klachten in staat geweest haar arbeid te verrichten. Pas in de periode dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving en zij niet in onregelmatige diensten hoefde te werken, heeft zij medische hulp gezocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts toegelicht dat uit de brief van

4 juni 2012 van Potjewijd blijkt dat appellante is geadviseerd om het gebruik van alcohol te staken, regelmatig te leven, voldoende vocht en vezels in te nemen en niet te werken in wisselende diensten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep moet dit advies worden gezien als een algemeen advies van rust, reinheid en regelmaat. Bij het ontbreken van een duidelijke lichamelijke afwijking die de klachten van appellante verklaart, bestaat er geen strikte contra-indicatie voor het werk in wisselende diensten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dan ook dat appellante in staat is haar maatgevende arbeid te verrichten. Er zijn geen aanknopingspunten om dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

4.5. Uit 4.4 volgt dat het Uwv de uitkering van appellante op grond van de ZW met ingang van 1 september 2012 terecht heeft beëindigd. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

4.6. Gelet op wat in 4.5 is overwogen bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling tot schadevergoeding.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 980,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.960,-. Voorts zal worden bepaald dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep vergoedt.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2012 gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 29 oktober 2012 geheel in stand blijven;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante de betaalde griffierechten vergoedt van in totaal

€ 160,-.


Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) J.R. van Ravenstein





AP