Centrale Raad van Beroep, 10-02-2015 / 13-5180 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:349

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Appellant heeft de gevraagde informatie niet binnen de daarvoor gestelde termijn ingeleverd, terwijl hij daarover binnen die termijn wel had kunnen beschikken. Afwijzing nieuwe aanvraag. Het is niet aan de Svb, maar aan appellant om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij in het resterende deel van de te beoordelen periode geen vermogen meer had in de vorm van contant geld. Dat bewijs heeft appellant niet geleverd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-10
Publicatiedatum
2015-02-13
Zaaknummer
13-5180 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5180 WWB, 13/5381 WWB

Datum uitspraak: 10 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 16 augustus 2013, 12/4353, en van 26 augustus 2013, 12/5681 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Mous, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

De zaken zijn gevoegd ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 9 december 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving met ingang van 12 januari 1999 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling).

1.2.

Bij een uitwisseling van gegevens tussen de Belastingdienst en de Svb is naar voren gekomen dat appellant een bankrekening op zijn naam heeft staan die bij de Svb niet bekend was. In verband daarmee heeft de Svb appellant op 21 november 2011 verzocht om vóór

19 december 2011 een formulier heronderzoek in te vullen en bankgegevens te verstrekken van de verzwegen bankrekening. Bij dat formulier wordt onder meer gevraagd om opgave te doen van alle op naam staande bankrekeningen en toezending van de bankafschriften van de afgelopen drie maanden van die bankrekening. Appellant heeft op dit verzoek niet gereageerd.

1.3.

Bij brief van 20 december 2011 heeft de Svb appellant opnieuw in de gelegenheid gesteld om vóór 4 januari 2012 de bij brieven van 21 november 2011 gevraagde gegevens in te zenden. Daarbij heeft de Svb appellant voorgehouden dat hij er rekening mee moet houden dat wanneer hij niet reageert de betaling van de AIO-aanvulling stopgezet kan worden. Appellant heeft wederom niet gereageerd.


1.4.

Bij besluit van 23 januari 2012 heeft de Svb het recht op AIO-aanvulling per die datum opgeschort met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB. Daarbij is appellant in de gelegenheid gesteld het in 1.2 genoemde formulier ingevuld vóór 6 februari 2012 in te zenden.


1.5.

Bij besluit van 22 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 juli 2012 (bestreden besluit 1), heeft de Svb de AIO-aanvulling met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 23 januari 2012 beëindigd (lees: ingetrokken).


1.6.

Appellant heeft op 11 mei 2012 een nieuwe aanvraag om een AIO-aanvulling ingediend.


1.7.

Naar aanleiding van de verklaring van appellant tijdens de hoorzitting op 11 mei 2012 in de intrekkingszaak dat hij € 6.000,- thuis heeft liggen, heeft het college appellant bij brief van 14 mei 2012 verzocht bankgegevens in te leveren en opgave te doen van het bedrag dat hij op dit moment in contanten in huis heeft. Bij brief van 22 mei 2012 heeft appellant de gevraagde bankgegevens toegezonden en medegedeeld dat hij op dit moment een bedrag van € 7.000,- in contanten in huis heeft.


1.8.

Bij besluit van 26 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 oktober 2012 (bestreden besluit 2), heeft de Svb de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant beschikte over een vermogen dat de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen van € 5.685,- overschreed, zodat geen recht op een AIO-aanvulling bestond. Daarbij heeft de Svb het vermogen vastgesteld op € 7.097,85, waaronder het bedrag van € 7.000,- dat appellant naar eigen zeggen in contanten in huis heeft.


2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd.


3.1.

In het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 heeft appellant aangevoerd dat hij de Nederlandse taal amper machtig is en dat hij daarom geen idee had dat van hem inlichtingen werden verlangd om de AIO-aanvulling vast te stellen. Ook voor degene die hij had ingeschakeld om de brieven te vertalen, was niet duidelijk wat van appellant werd verwacht. Voorts heeft appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. Hij wijst er daarbij op dat het voor hem niet duidelijk was dat de in 1.7 genoemde brief van 14 mei 2012 betrekking had op de nieuwe aanvraag en dat de Svb daarom bij hem in de bezwaarprocedure het vertrouwen heeft gewekt dat het besluit van 22 februari 2012 zou worden heroverwogen.


3.2.

In het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 heeft appellant aangevoerd dat de Svb met een vooringenomen houding heeft gesteld dat appellant een bedrag van € 7.000,- in contanten in huis had liggen. De rechtbank overweegt ten onrechte dat appellant moet bewijzen dat hij van dit geld spullen heeft gekocht. De bewijslast voor de aanwezigheid van genoemd geldbedrag rust op de Svb en niet op appellant.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking

4.1.

Voor de toepasselijke wetsartikelen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak 1.


4.2.

Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand ingaande 23 januari 2012 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.


4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.


4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de Svb bij besluit van 23 januari 2012 aan appellant gevraagde informatie, te weten een ingevuld formulier heronderzoek met bijlagen, waaronder bankgegevens, van belang is voor de verlening van bijstand. Verder staat vast dat appellant de gevraagde informatie niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingeleverd, terwijl hij daarover binnen die termijn wel had kunnen beschikken. Anders dan appellant stelt, is in de in 1.2 bedoelde brieven duidelijk verwoord wat van appellant werd verwacht, namelijk het insturen van een ingevuld en van de nodige bijlagen voorzien formulier heronderzoek en bankgegevens van de verzwegen bankrekening. Ook het opschortingsbesluit van 23 januari 2012 laat in dit opzicht aan duidelijkheid niets te wensen over. Mocht het appellant en/of degene die hij had ingeschakeld voor de vertaling van de brieven van de Svb, niet duidelijk zijn geweest welke informatie appellant diende te verstrekken, dan had het op de weg van appellant gelegen om daarover bij de Svb navraag te doen.


4.5.

Uit 4.4 volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan.


4.6.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slagen als het tot beslissen bevoegde orgaan of de daartoe bevoegde functionaris uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen heeft gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Van een dergelijke toezegging is in dit geval geen sprake geweest.


4.7.

Uit 4.4. tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 niet slaagt.


Afwijzing van de nieuwe aanvraag


4.8.

De te beoordelen periode loopt van 11 mei 2012 tot en met 26 juli 2012.


4.9.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie.


4.10.

Appellant heeft bij brief van 22 mei 2012 gemeld dat hij op dat moment een bedrag van € 7.000,- in huis heeft liggen. Gelet op 4.9 is het niet aan de Svb, maar aan appellant om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij in het resterende deel van de te beoordelen periode geen vermogen meer had in de vorm van contant geld. Dat bewijs heeft appellant niet geleverd.


4.11.

Uit 4.10 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 ook niet slaagt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) P.C. de Wit




HD