Centrale Raad van Beroep, 13-10-2015 / 14/3507 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3491

Inhoudsindicatie
Het bezwaarschift is te laat ingediend. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar. Het handelen of nalaten van een persoon aan wie een betrokkene zijn belangen heeft toevertrouwd is voor risico van betrokkene. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan daarvan worden afgeweken. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-13
Publicatiedatum
2015-10-19
Zaaknummer
14/3507 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

143507 WWB


Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 juni 2014, 13/9453 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellante] te [woonplaats] (appellante)


het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)



PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.A. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Timmer. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 29 december 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande (WWB).


1.2.

Bij besluit van 14 augustus 2013 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2013 ingetrokken op de grond dat zij niet binnen de in het opschortingsbesluit van 31 juli 2013 gegeven termijn de gevraagde stukken heeft aangeleverd.


1.3.

Bij besluit van 14 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 augustus 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen aanleiding is de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Door haar psychische klachten, waarvan het college op de hoogte was, had zij moeite met het openen van post. Haar psychologe heeft na

8 september 2013 telefonisch contact opgenomen met een medewerker van de afdeling financiële zaken van de gemeente die meedeelde dat “men er mee bezig was en dat appellante moest afwachten”. Zij is echter niet geïnformeerd over de mogelijkheid om bezwaar te maken. Dit is pas per e-mail van 30 september 2013 gebeurd, waarna de psychologe appellante heeft geadviseerd juridische hulp in te schakelen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift

niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.


4.2.

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift van 10 oktober 2013 na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is ingediend.

4.3.

In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest als bedoeld in

artikel 6:11 van de Awb. Ten tijde van het besluit van 14 augustus 2013 was appellante onder behandeling van een psychologe. Deze psychologe behartigde haar belangen, waarbij zij onder meer samen met appellante de post van appellante - ook met betrekking tot haar financiële situatie - doornam. Dat appellante haar post niet zelf opende, is dan ook niet van belang. Vaststaat dat de psychologe kort voor en na haar vakantie, op 19 augustus 2013 respectievelijk 9 september 2013, contact heeft gehad met appellante. Nu het besluit van

14 augustus 2013 op deze data bekend was, heeft de psychologe kennis kunnen nemen van de inhoud hiervan en daartegen, desgewenst en zo nodig pro forma, bezwaar kunnen maken. Dat zij van een medewerker telefonisch te horen zou hebben gekregen dat zij maar moest afwachten, en niet dat zij bezwaar moest maken als zij het er niet mee eens was, baat appellante niet. In het besluit van 14 augustus 2013 staat immers dat binnen zes weken bezwaar kon worden gemaakt. Voor zover appellante heeft bedoeld te betogen dat de psychologe (als niet-jurist) mogelijk niet adequaat heeft gehandeld en dat appellante deze handelwijze niet kan worden toegerekend, slaagt dit betoog niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1800) komt het handelen of nalaten van een persoon aan wie een betrokkene zijn belangen heeft toevertrouwd immers voor risico van die betrokkene. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan daarvan worden afgeweken. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake.

4.4.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.





(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) P.C. de Wit




HD