Centrale Raad van Beroep, 15-01-2015 / 13-2298 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:35

Inhoudsindicatie
Dienstongeval. De Raad is, alles overziende, van oordeel dat niet onomstotelijk is komen vast te staan dat appellant niet de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen in acht heeft genomen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-15
Publicatiedatum
2015-01-16
Zaaknummer
13-2298 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/2298 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

18 maart 2013, 12/1111 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.P.H. Borm, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Borm. Namens de staatssecretaris is mr. E. Fokkens-Kuiper verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is sinds 1 januari 2006 aangesteld bij de Belastingdienst, Centrum voor Facilitaire Dienstverlening, Unit Documentatie en Logistiek, standplaats Apeldoorn. Op

19 februari 2008 is hem op weg van Apeldoorn naar Deventer bij een inhaalmanoeuvre met zijn personenauto een verkeersongeval overkomen, waarbij hij ernstig hersenletsel heeft opgelopen en volledig arbeidsongeschikt is geworden.


1.2.

Bij brief van 8 oktober 2010 heeft appellant verzocht dit verkeersongeval aan te merken als een dienstongeval in de zin van artikel 35 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Bij besluit van 1 juli 2011 heeft de staatssecretaris dit verzoek afgewezen, op de grond dat appellant bij het uitvoeren van zijn inhaalmanoeuvre niet de vereiste zorgvuldigheid en oplettendheid heeft betracht, zodat niet voldaan is aan het in artikel 35 van het ARAR gestelde vereiste, dat het ongeval niet aan schuld of onvoorzichtigheid van de ambtenaar is te wijten.


1.3.

Bij besluit van 17 april 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 oktober 2010 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de staatssecretaris alsnog vastgesteld dat het ongeval in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan betrokkene opgedragen werkzaamheden - wat bij het besluit van 1 juli 2011 nog in het midden was gelaten - , zodat wel voldaan is aan dat in artikel 35 van het ARAR gestelde vereiste.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat uitsluitend tussen partijen in geschil is of het ongeval aan de schuld of onvoorzichtigheid van de ambtenaar is te wijten. De rechtbank deelt niet de mening van appellant, dat deze vraag beantwoord zou moeten worden aan de hand van het criterium of sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid. De rechtbank acht het op grond van de aanwezige gegevens aannemelijk dat appellant al door een auto van het type Opel Astra werd ingehaald toen hij zelf zijn inhaalmanoeuvre inzette, hetgeen minstens als onvoorzichtig moet worden gekwalificeerd. De rechtbank heeft deze conclusie gebaseerd op de volgende gegevens. De bestuurder en de passagier van de Opel hebben verklaard dat appellant zijn Fiat Seicento personenauto naar de rijstrook bestemd voor tegemoet komend verkeer stuurde op het moment dat hij zelf werd ingehaald door de Opel, hetgeen tot de aanrijding heeft geleid. Deze verklaringen zijn bevestigd door getuige Z, die met zijn auto op enige afstand achter de Opel reed. Met name gelet op de laatste verklaring, alsmede de vorm en de plaats van de (zij)schade aan de Fiat en aan de Opel, alsmede de foto’s van de reconstructie van het moment dat beide voertuigen elkaar raakten, heeft de rechtbank aannemelijk geacht dat appellant bij het uitvoeren van zijn inhaalmanoeuvre niet de vereiste grote mate van oplettendheid heeft betracht.


3.1.

Namens appellant is in hoger beroep onder meer betoogd dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door te overwegen of het aannemelijk is dat appellant onvoorzichtig heeft gehandeld. Het criterium is dat de onvoorzichtigheid of schuld onomstotelijk moet vaststaan; aan dit criterium is niet voldaan. De gemachtigde van appellant heeft in dit verband op punten gewezen die twijfel over de door de rechtbank veronderstelde onvoorzichtigheid doen rijzen.


3.2.

Namens de staatssecretaris is gemotiveerd verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In hoofdstuk 8, onderdeel 1.5.24 van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB), wordt over “schuld en onvoorzichtigheid” in artikel 35 van het ARAR gesteld: “de eigen schuld zal onomstotelijk moeten worden vastgesteld. Twijfel dient in het voordeel van de werknemer te worden uitgelegd”. Uit deze passage leidt de Raad af dat de staatssecretaris in het kader van de toepassing van artikel 35 van het ARAR ten gunste van het personeel van de belastingdienst een verzwaarde bewijslast op zich heeft genomen in gevallen waarin de onvoorzichtigheid bij of schuld aan een dienstongeval in het geding is. De staatssecretaris zal de onvoorzichtigheid of schuld zonder een spoor van twijfel moeten aantonen. In zoverre slaagt de beroepsgrond dat de staatssecretaris en de rechtbank, door niet meer dan aannemelijkheid te verlangen, een onjuiste maatstaf hebben aangelegd.


4.2.

Wat betreft de omstandigheden waaronder het ongeval plaatsvond, is niet in geding dat de staat van onderhoud van beide auto’s goed was, dat de spiegels van de Fiat goed waren ingesteld en dat de weg- en weersomstandigheden ter plaatse gunstig waren en geen extra risico opleverden voor een inhaalmanoeuvre.


4.3.

Wat de toedracht van het ongeval betreft, gaan beide partijen er vanuit dat appellant op het moment dat hij zijn inhaalmanoeuvre inzette en zijn Fiat naar links stuurde, de Opel die hem op dat moment net aan het inhalen was niet heeft opgemerkt. De vraag die partijen met name verdeeld houdt, is of uit de vaststaande feiten en omstandigheden is af te leiden dat appellant niet, dan wel niet volledig de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen in acht heeft genomen, bestaande uit kijken in de binnen- en buitenspiegel en over de linkerschouder - het laatste in verband met de zogenoemde dode hoek. Appellant zelf is nooit in staat geweest een verklaring over het gebeurde af te leggen, zodat de bewijsvoering slechts kan steunen op de uitkomsten van voertuigtechnisch (sporen)onderzoek en op het drietal verklaringen van de bestuurder en de passagier van de Opel en de bestuurder van de op 80 à 100 meter afstand achter de Opel rijdende auto.


4.4.

Vastgesteld moet worden dat de drie verklaringen onderling afwijkingen vertonen en geen eenduidig beeld van de toedracht opleveren. Geen van de verklaringen werpt direct licht op het (kijk)gedrag van appellant tijdens het rijden; alleen de bewegingen van de betrokken voertuigen zijn waargenomen. De snelheid waarmee de Fiat en de Opel zich voortbewogen wordt door de bestuurder van de Opel geschat op 40 kilometer per uur, door zijn passagier op maximaal 80 kilometer per uur (met de kanttekening dat hij zelf geen rijbewijs heeft en geen idee heeft hoe hard zijn vriend reed), terwijl de verklaring van Z uitgaat van 70 à 75 kilometer per uur, een ongeveer gelijke snelheid als die van zijn eigen voertuig. Over de afstand tussen de Opel en de Fiat op het moment dat de Opel zijn inhaalmanoeuvre inzette heeft alleen de passagier verklaard; hij schat deze op twee à drie meter maar vindt dat moeilijk in te schatten vanwege zijn gebrek aan rijervaring. Een verklaring over de snelheid waarmee de Opel accelereerde ontbreekt geheel; over de Fiat is slechts bekend dat het acceleratievermogen beperkt was, gezien het geringe motorvermogen. Volgens de passagier heeft appellant richting aangegeven voordat hij naar links zwenkte; de andere betrokkenen hebben dit niet waargenomen. Ten slotte acht de Raad niet zonder betekenis, dat twee processen-verbaal die door politiefunctionarissen zijn opgemaakt over de toedracht, tegengestelde conclusies van de verbalisanten bevatten over de vraag of appellant zich zodanig heeft gedragen dat hierdoor gevaar op de weg wordt veroorzaakt en hiermee artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft overtreden.


4.5.

De Raad is, alles overziende, van oordeel dat niet onomstotelijk is komen vast te staan dat appellant niet de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen in acht heeft genomen. Met name is niet ondenkbaar dat, zoals de gemachtigde van appellant heeft betoogd, appellant wel goed gekeken heeft voordat hij richting naar links aangaf en zijn rijbaan verliet, maar dat juist nadat hij had gekeken de Opel - die volgens de onweersproken verklaring van de passagier slechts enkele meters achter de Fiat reed - een snelle inhaalmanoeuvre inzette, waardoor de voorzijkant van de Opel zich reeds naast de achterzijkant van de Fiat bevond op het moment dat beide auto’s elkaar raakten. De ongeveer vijf meter die de Opel ten opzichte van de Fiat is opgeschoven voordat de voertuigen elkaar raakten kan volgens de verklaring van de gemachtigde van appellant binnen een seconde zijn overbrugd, zeker indien wordt uitgegaan van een lage aanvangssnelheid en een hoog acceleratievermogen van de Opel. De onderzoeksbevindingen sluiten een dergelijke toedracht naar het oordeel van de Raad niet geheel uit. De Raad komt tot de slotsom dat, waar er ruimte is voor twijfel aan de eigen schuld of onvoorzichtigheid van appellant, deze twijfel overeenkomstig het RPVB in het voordeel van de betrokken ambtenaar moet worden uitgelegd.


4.6.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden kunnen daarom buiten bespreking blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding om het besluit van 1 juli 2011 te herroepen en te bepalen dat het ongeval van 19 februari 2008 als een dienstongeval is aan te merken. Over de rechtspositionele gevolgen die daaraan verbonden zijn dient de staatssecretaris alsnog een primair besluit te nemen.


5. De Raad ziet aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 974,-, in beroep tot een bedrag van € 974,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 974,- aan kosten van rechtsbijstand, tezamen € 2.922,-.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 april 2012 gegrond en vernietigt dit besluit;

- herroept het besluit van 1 juli 2011, bepaalt dat het ongeval van 19 februari 2008 als een

dienstongeval is aan te merken en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

besluit van 17 april 2012;

- bepaalt dat de staatsecretaris aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 391,- vergoedt;

- veroordeelt de staatssecretaris in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.922,-.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2015.




(getekend) K.J. Kraan




De griffier is buiten staat te ondertekenen





sg