Centrale Raad van Beroep, 13-10-2015 / 14/2993 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3504

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering. Verzwegen vermogen. Afwijzing aanvraag. Onduidelijke financiële situatie. Geen dringende redenen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-13
Publicatiedatum
2015-10-19
Zaaknummer
14/2993 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/205
Uitspraak

14/2993 WWB, 14/4125 WWB, 14/4126 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

17 april 2014, 13/4167 (aangevallen uitspraak 1) en 16 juni 2014, 13/7750 en 14/103 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Yeniasci, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 en tegen aangevallen uitspraak 2.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgehad op 9 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Yeniasci, die tevens voor appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Dinç.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.2.

Appellanten ontvingen vanaf 1 maart 1997 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.


1.3.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant in zijn geboorteplaats [naam geboorteplaats] in Turkije een appartement bezit, heeft het college het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verzocht om onderzoek te doen naar mogelijk vermogen van appellanten in Turkije. In dat kader heeft het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade te Ankara onderzoek verricht naar mogelijk bezit van onroerend goed van appellanten in [naam geboorteplaats] en aan het IBF rapport uitgebracht. De bevindingen van het onderzoek van het IBF zijn neergelegd in een rapportage Vermogensonderzoek van 20 juni 2012. Daarin is vermeld dat sinds 15 augustus 2003 een perceel bouwgrond in de gemeente Baᶊkarci (Turkije),

van 343 m², op naam van appellant staat en sinds 22 september 1999 een perceel landbouwgrond in dezelfde gemeente, van 770 m², op naam van appellante. Op de bouwgrond staat sinds vier jaar een (ten tijde van het onderzoek nog niet bij de Turkse gemeente en kadaster gemeld) gebouw. Een lokale taxateur heeft op 20 juni 2012 het onroerend goed getaxeerd. De waarde van het perceel grond op naam van appellant is daarbij geschat op 41.160 Turkse Lira (TL) (omgerekend naar de destijds geldende koers € 18.132,- ), en de waarde van het gebouw op 147.346 TL (omgerekend € 64.910,- ). De landbouwgrond op naam van appellante is getaxeerd op 7.700 TL (omgerekend € 3.392,-). Als conclusie heeft het IBF vermeld dat appellanten onroerend goed in Turkije hebben ter waarde van € 86.434,-. Naar aanleiding van deze rapportage heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (sociale recherche) nader onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn diverse openbare bronnen geraadpleegd en hebben appellanten desgevraagd diverse stukken overgelegd. Appellante is op 23 oktober 2012 als verdachte verhoord en appellant op 29 oktober 2012. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 6 februari 2013.


1.4.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

10 januari 2013 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 mei 2013 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellanten in te trekken met ingang van 1 augustus 2011 en de over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 oktober 2012 gemaakte kosten van bijstand van hen terug te vorderen tot een bedrag van € 20.621,22. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellanten beschikten over een vermogen in het buitenland, waarvan de waarde hoger was dan de voor hen toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WWB. Doordat appellanten in strijd met de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting het college hierover niet hebben geïnformeerd, is aan hen ten onrechte bijstand verleend.


1.5.

Op 18 maart 2013 hebben appellanten opnieuw bijstand aangevraagd. Het college heeft bij brief van 17 april 2013 appellanten verzocht nadere informatie te verstrekken over hun financiële situatie, in het bijzonder over het onroerend goed in Turkije, en dit verzoek bij brief van 3 mei 2013 herhaald. Appellanten hebben diverse stukken overgelegd. Het college heeft die stukken bij het onderzoek naar het recht op de gevraagde bijstand betrokken. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 18 juni 2013.


1.6.

Bij besluit van 19 juni 2013 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

27 oktober 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag van appellanten afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellanten onvoldoende gegevens hebben verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.


2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen aangevallen uitspraak 1, voor zover deze betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van de aan hen verleende bijstand, en tegen aangevallen uitspraak 2, voor zover deze betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag om bijstand.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Intrekking bijstand


4.1.

De beoordeling van het besluit tot intrekking van de aan appellanten verleende bijstand bestrijkt de periode van 1 augustus 2011 (de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met 10 januari 2013 (de datum van het intrekkingsbesluit). Hierbinnen zijn twee periodes te onderscheiden.


Periode van 1 augustus 2011 tot 3 juli 2012


4.2.

Niet meer in geschil is dat appellanten vanaf 1 augustus 2011 de onder 1.3 vermelde onroerende goederen, waaronder het gebouw, in eigendom hadden. Evenmin is in geschil dat het perceel grond en het gebouw van appellant op 3 juli 2012 zijn verkocht aan zijn tante

[naam tante] (tante) en haar eigendom zijn geworden, zodat deze onroerende goederen vanaf die datum niet tot zijn vermogen behoorden.


4.3.

Appellanten hebben de taxatie van de waarde van de percelen grond en het gebouw door de lokale taxateur, zoals vermeld onder 1.3, niet met objectieve en verifieerbare gegevens betwist. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college van de juistheid van die taxatie heeft kunnen uitgegaan. Nu de waarde van het onroerend goed van appellanten tezamen op grond van die taxatie is te stellen op € 86.434,- , heeft het college terecht geconcludeerd dat het vermogen van appellanten in de periode van 1 augustus 2011 tot 3 juli 2012 de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschreed, zodat appellanten over die periode geen recht op bijstand hadden.


4.4.

Vaststaat dat appellanten hebben nagelaten om het college te informeren over het feit dat in de te beoordelen periode elk van hen een perceel grond in Turkije in eigendom had, dat op het perceel grond van appellant een gebouw is geplaatst en dat het perceel grond en het gebouw van appellant zijn verkocht. Zij hebben daarmee, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Anders dan appellanten menen, kan de waarde van het onroerend goed niet meebrengen dat het bezit daarvan niet gemeld hoeft te worden. Door de melding wordt het college immers in de gelegenheid gesteld om te beoordelen wat de invloed is van het onroerend goed op de omvang van het vermogen en daarmee op het recht op bijstand.


4.5.

Appellanten hebben aangevoerd dat hen de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden verweten. Ter toelichting – zo begrijpt de Raad – hebben zij gesteld dat appellant niet op de hoogte was van de ontwikkelingen rond zijn perceel grond, doordat zijn vader, met een door appellant verstrekte algemene volmacht, buiten diens medeweten op het perceel een gebouw heeft laten plaatsen met behulp van een lening van de tante. Appellanten stellen dat zij aldus de dupe zijn geworden van het eigenmachtig optreden van de vader van appellant.


4.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De vraag of een schending van de inlichtingenverplichting aan de betrokkene kan worden verweten is bij de intrekking van bijstand niet van belang. Daarbij komt dat deze beroepsgrond alleen ziet op het gebouw en niet op het bezit van het perceel bouwgrond van appellant en het perceel landbouwgrond van appellante.


4.7.

Nu als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte over de periode van 1 augustus 2011 tot 3 juli 2012 bijstand aan appellanten is verleend, was het college bevoegd de bijstand over die periode in te trekken.


Periode van 3 juli 2012 tot en met 10 januari 2013


4.8.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.


4.9.

Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de omvang van hun vermogen vanaf 3 juli 2012 niet was vast te stellen. Zij hebben daartoe gesteld dat zij na de verkoop van het onroerend goed op 3 juli 2012 nog slechts beschikten over het perceel landbouwgrond van appellante, dat was getaxeerd op omgerekend € 3.392,-, zodat het gezamenlijk vermogen de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen niet overschreed. Zij hebben dit toegelicht met de stelling, dat - zo begrijpt de Raad - alleen het perceel grond aan de tante is verkocht, en wel voor een bedrag van omgerekend € 7.048,-, en dat daarmee de schuld van omgerekend € 38.326,-, die de vader van appellant bij de tante was aangegaan ten behoeve van de plaatsing van het gebouw, gedeeltelijk, namelijk met omgerekend € 7.048,-, was afgelost. Omdat zijn vader de schuld niet kon terugbetalen en appellant borg stond voor de lening heeft appellant zijn perceel grond aan de tante afgestaan, aldus appellanten. Appellanten hebben ter zitting van de Raad beaamd dat niet alleen het perceel grond, maar door natrekking tevens het gebouw in eigendom op de tante is overgegaan. Zij hebben gesteld dat de openstaande schuld van de vader van appellant aldus is verrekend met de waarde van het onroerend goed van appellant.


4.10.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellanten hebben het bestaan van een schuld niet aannemelijk gemaakt. De stelling dat de vader van appellant ten behoeve van de plaatsing van het gebouw een bedrag van omgerekend € 38.326,-, heeft geleend van de tante en dat appellant daarvoor borg stond is in het geheel niet onderbouwd. Ter zake van de bedoelde lening zijn slechts stukken overgelegd waarin de naam van appellant is vermeld en die van zijn vader niet voorkomt. Uit die stukken blijkt voorts niet dat, zoals appellanten - naar de Raad begrijpt subsidiair - stellen, appellant zelf het desbetreffende bedrag van de tante heeft geleend. De overgelegde stukken behelzen slechts een schriftelijke verklaring van appellant van 10 juli 2012 en een schriftelijke verklaring van appellant van 2 mei 2005. Dit zijn geen objectieve gegevens die overtuigend bewijs vormen. Voorts heeft appellant op dit punt tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Zo heeft hij enerzijds gesteld dat na de overdracht van het perceel grond nog een schuld van omgerekend € 31.278,- resteerde, terwijl hij anderzijds heeft gesteld dat met de overdracht van het onroerend goed de schuld geheel was verrekend. Appellanten hebben dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de verkoopopbrengst geheel met een openstaande schuld is verrekend en dus evenmin dat appellant na de verkoop geen vermogen meer had.


4.11.

Hierbij komt dat appellanten geen duidelijkheid hebben verschaft over de wijze waarop het gebouw in de verkoop is betrokken. In dit verband is van betekenis dat uit het overgelegde eigendomsbewijs van 3 juli 2012 volgt dat alleen het perceel grond is verkocht voor omgerekend € 7.048,-, terwijl vaststaat dat bij die gelegenheid ook het gebouw eigendom van de tante is geworden. Aangenomen moet daarom worden dat ook het gebouw aan haar is verkocht. Met betrekking tot de verkoop van het gebouw, waaronder begrepen het bedrag waarvoor het is verkocht, hebben appellanten in het geheel geen gegevens overgelegd. De door appellanten gestelde omstandigheid dat het gebouw wegens illegaliteit niet was geregistreerd in het kadaster en daarom niet op de eigendomsakte was vermeld maakt dit, wat daarvan ook zij, niet anders.


4.12.

Wat onder 4.10 en 4.11 is overwogen brengt mee dat het college terecht heeft aangenomen dat appellant, anders dan appellanten hebben aangevoerd, na de verkoop van zijn onroerend goed redelijkerwijs kon beschikken over een bedrag ter grootte van de waarde van dat onroerend goed, getaxeerd op € 83.042. Appellanten hebben niet kenbaar gemaakt hoe dat bedrag is aangewend. Het college was daardoor niet in staat om vast te stellen of zij vanaf

3 juli 2012 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.


4.13.

Nu als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de periode van 3 juli 2012 tot en met 10 januari 2013 niet kon worden vastgesteld, was het college bevoegd de bijstand over die periode in te trekken. Doordat appellanten onduidelijkheid hebben laten bestaan over de gang van zaken rond de verkoop van het onroerend goed van appellant en eveneens over de grootte van de opbrengst en de besteding daarvan, zijn zij er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij wel recht op bijstand zouden hebben gehad als zij de op hen rustende inlichtingenverplichting waren nagekomen.


4.14.

Tegen de wijze waarop het college van de bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt hebben appellanten aangevoerd dat daarbij ten onrechte geen rekening is gehouden met hun omstandigheden. Ook in dit verband hebben zij naar voren gebracht dat appellanten de dupe zijn geworden van het eigenmachtig optreden van de vader van appellant. Appellanten hebben echter geen van hun beweringen op dit punt onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens, zodat van de juistheid daarvan niet kan worden uitgegaan. Reeds daarom slaagt deze beroepsgrond niet. Het besluit tot intrekking is, anders dan appellanten hebben aangevoerd, zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.


4.15.

Appellanten hebben aangevoerd dat de intrekking van de bijstand in strijd is met

artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat door de afwijzing van de aanvraag een inbreuk wordt gemaakt op het recht op respect voor hun ‘family life’, nu zij al geruime tijd geen inkomen hebben ontvangen en zij een baby te verzorgen hebben.


4.16.

Deze grond faalt. Mocht de hier toegepaste regeling in de WWB omtrent de geldende vermogensgrens en het inlichtingenverzuim al geacht worden een inbreuk te maken op het recht op familie- en gezinsleven als omschreven in artikel 8 van het EVRM, dan is bedoelde regeling in elk geval aan te merken als een door het tweede lid van artikel 8 toegestane beperking van het recht in het eerste lid van dat artikel, omdat de beperking bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is te achten in het belang van het economisch welzijn van het land (vergelijk de uitspraak van 27 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2013:BV0017). Daarbij komt dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, appellanten tot 3 juli 2012 over voldoende middelen beschikten om in de kosten van hun levensonderhoud en dat van hun baby te voorzien en vanaf die datum niet is vast te stellen of appellanten over onvoldoende middelen beschikten. Zodra appellanten voldoende duidelijkheid zouden verschaffen over de aanwending van hun vermogen vanaf 3 juli 2012 en daaruit zou blijken dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren, zou aan hen in beginsel bijstand kunnen worden toegekend.


Terugvordering


4.17.

Het college was, gelet op wat onder 4.7 en 4.13 tot en met 4.16 is overwogen, vervolgens verplicht om met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de WWB, zoals deze bepaling luidde met ingang van 1 januari 2013, de over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 oktober 2012 gemaakte kosten van bijstand van hen terug te vorderen.


4.18.

Wat appellanten hebben aangevoerd vormt geen dringende redenen op grond waarvan het college kon besluiten om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een intrekking of terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Dat het hier gaat om de terugvordering van een aanzienlijk bedrag en dat dit zwaar op appellanten drukt, vormt geen dringende reden als hiervoor bedoeld. De financiële gevolgen van de schending van de wettelijke inlichtingenverplichting door appellanten dienen in beginsel voor rekening van appellanten te blijven. Bovendien heeft een belanghebbende als schuldenaar bescherming van de regels inzake de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.


4.19.

Het beroep dat appellanten in dit verband hebben gedaan op artikel 8 van het EVRM faalt op grond van gelijke overwegingen als die, welke onder 4.16 zijn verwoord.


Afwijzing aanvraag


4.20.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 18 maart 2013 tot en met 9 juni 2013.


4.21.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.22.

Appellanten hebben noch bij hun aanvraag om bijstand, noch nadien, gegevens overgelegd die nog niet bij het college bekend waren ten tijde van de intrekking van de bijstand per 1 augustus 2011 en die duidelijkheid verschaffen over de gang van zaken rond de verkoop van het onroerend goed van appellant op 3 juli 2012. De rechtbank heeft dan ook, gelet op wat met betrekking tot het besluit tot intrekking was overwogen, terecht geoordeeld dat appellanten bij hun aanvraag de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat het college daardoor het recht op bijstand niet kon vaststellen. Appellanten hebben in het licht van het feit dat zij tot 3 juli 2012 beschikten over een gezamenlijk vermogen van omgerekend € 86.434,- niet aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van de aanvraag niet meer beschikten over voldoende middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien.


4.23.

Appellanten hebben ook in dit verband aangevoerd dat hen de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden aangerekend omdat zij de dupe zijn geworden van het eigenmachtig handelen van de vader van appellant. Deze grond slaagt niet. Evenals bij de intrekking van bijstand, zoals hiervoor onder 4.6 is overwogen, is bij de afwijzing van een aanvraag om bijstand niet van betekenis of de schending van de inlichtingenverplichting aan de betrokkene kan worden verweten.


4.24.

Appellanten hebben aangevoerd dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van het EVRM door de aanvraag om bijstand af te wijzen. Zij hebben daartoe gesteld dat zij al geruime tijd geen inkomen hebben. Deze grond faalt op grond van gelijke overwegingen als die, welke onder 4.16 zijn verwoord.


Conclusie


4.25.

Uit 4.1 tot en met 4.19 volgt dat het beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt.

Uit 4.20 tot en met 4.24 volgt dat het beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt. Beide uitspraken, voor zover aangevochten, zullen dan ook worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke als voorzitter en C. van Viegen en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.




(getekend) A.M. Overbeeke




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD